close
Share with your friends

Sinds 30 september 2012 wordt de DNB rentetermijnstructuur (RTS) voor pensioenfondsen bepaald met behulp van de Ultimate Forward Rate (UFR). In eerste instantie werd de ook door verzekeraars gehanteerde UFR van 4,2% gebruikt.

Sinds juli 2015 wordt de UFR gebaseerd op het (voortschrijdend) 120-maands gemiddelde van de 20-jaars forward rate. Voor elke (maandelijkse) publicatie door DNB van de RTS pensioenfondsen wordt dus ook de UFR herrekend. Per eind maart 2021 is de UFR volgens de oude methode 1,7%.

Momenteel bevinden we ons in een transitieperiode tussen bovenstaande methode (‘oude methode’) en een nieuwe methode, die op 12 juni 2019 is verschenen in het Advies van de Commissie Parameters (‘nieuwe methode’). In de nieuwe methode wordt de UFR gebaseerd op de 30-jaars forward rate in plaats van de 20-jaars forward rate. Per eind maart 2021 is de UFR volgens de nieuwe methode 1,5%.

In de periode van 2021 tot 2024 wordt de nieuwe rentetermijnstructuur stapsgewijs ingevoerd. Deze stapsgewijze invoering is gebaseerd op het gewogen gemiddelde tussen de rentetermijnstructuur op basis van de oude en de nieuwe methode, waarbij de gewichten jaarlijks op 1 januari met gelijke stappen aangepast worden. In 2021 bedraagt deze weging 75% voor de curve onder de oude methode en 25% voor de curve onder de nieuwe methode.
 

Per eind maart 2021:

UFR oude methode 1,7%
UFR nieuwe methode 1,5%
Gewichten methodes 75% oud / 25% nieuw

Uw contactpersonen

De UFR en de oude methode

De UFR onder de oude methode zorgt ervoor dat vanaf looptijd 20 de forward rates (dus niet de disconteringsrentes zelf) geleidelijk naar het niveau van de UFR toe groeien. Dit gebeurt op basis van een mechanisme waarbij ook marktinformatie (lees: swaprentes) tussen looptijden 20 en 50 nog wordt meegenomen. Aangezien de UFR elke maand wordt herrekend als het gemiddelde over de afgelopen 120 maanden, wijzigt de UFR echter ook regelmatig. Bij de introductie van deze methode in juli 2015 bedroeg de UFR 3,3% en eind maart 2021 was dit 1,7%. 

De UFR onder de nieuwe methode

Op 12 juni 2019 is het Advies van de Commissie Parameters verschenen, waarin onder meer een aangepaste UFR-methode wordt geadviseerd. De belangrijkste wijziging in de UFR-methode is dat de UFR pas van invloed wordt vanaf looptijd 30 in plaats van looptijd 20. Daarnaast is de berekening van de UFR zelf gebaseerd op de 30-jaars forward rate in plaats van de 20-jaars forward rate. Per eind maart 2021 is de UFR volgens de nieuwe methode 1,5%. Tot slot groeit de rentecurve in de nieuwe methode langzamer naar de UFR toe. DNB heeft besloten om de nieuwe UFR-parameters over een periode van vier jaar stapsgewijs in te voeren. Op deze manier wordt de impact van de nieuwe UFR gespreid over een langere periode. Door middel van deze stapsgewijze invoering zal de nieuwe UFR volledig van kracht zijn begin 2024. In de periode van 2021 tot 2024 is de rentetermijnstructuur gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de rentetermijnstructuur op basis van de huidige en de nieuwe UFR methode, waarbij de gewichten jaarlijks op 1 januari met gelijke stappen aangepast worden. In januari 2021 is begonnen met de stapsgewijze transitie van de oude methode naar de nieuwe methode. In 2021 bedraagt deze weging 75% voor de curve onder de oude methode en 25% voor de curve onder de nieuwe methode. De gewichten in de komende jaren zijn weergegeven in tabel 1. Daarnaast heeft DNB besloten om de rentetermijnstructuur de komende jaren te blijven baseren op renteswaps met 6-maands EURIBOR in plaats van over te stappen op de €ster als onderliggende rentebenchmark. 

Jaar Gewicht oude methode Gewicht nieuwe methode
2020 en daarvoor 100% 0%
2021 75% 25%
2022 50% 50%
2023 25% 75%
2024 en daarna 0% 100%

Tabel 1

Zoals in grafiek 1 is te zien heeft de UFR een aanzienlijk effect op de rentepercentages voor lange looptijden. Met de UFR wordt de rentecurve kunstmatig hoog gehouden. Dit effect is onder de nieuwe methode minder nadrukkelijk aanwezig dan onder de oude methode. In grafiek 1 zijn ook de curves weergeven waarin de toekomstige gewichten tussen de oude en nieuwe methode gebruikt zijn. Wanneer de gewichten voor de nieuwe methode groter worden, dan vermindert het effect van de UFR op de rentecurve. 

Rentecurves

Grafiek 1

Indien de swaprente op het huidige lage niveau blijft, zal de UFR verder blijven dalen. Immers, zoals in grafiek 2 is te zien liggen de hoogste waarden van de 20/30-jaars forward rate aan het begin van de middelingsperiode van 10 jaar en zullen deze er dus met het verloop van de tijd uit vallen. Hierdoor zal de UFR onder zowel de oude methode als onder de nieuwe methode afnemen. 

20/30-jaars Forward Rate

Grafiek 2

Onderstaande tabel laat zien hoe de UFR zich in de komende periode ontwikkelt indien de huidige swaprente (per eind maart 2021) ongewijzigd zou blijven. Per saldo is er dus bij ongewijzigde rentestanden een daling van de te hanteren rente en een daarmee samenhangende stijging van de waarde van de verplichtingen te verwachten.

UFR Datum oude methode Datum nieuwe methode
1,80% September 2020 December 2019
1,70% Februari 2021 Mei 2020
1,60% Juni 2021* Oktober 2020
1,50% November 2021* Maart 2021*
1,40% Juni 2022* Juli 2021*
1,30% Januari 2023* December 2021*
1,20% Juli 2023* Juni 2022*
1,10% December 2023* November 2022*
1,00% Juni 2024* Maart 2023*

* Geprojecteerd op basis van de huidige rente

Tabel 2

UFR ontwikkeling op basis van projectie

Grafiek 3

Voor vragen kunt u contact opnemen met Olivier Roodenburg (Roodenburg.Olivier@kpmg.nl of +31 6 5354 3550) of met Ernst Visser (Visser.Ernst@kpmg.nl of +31 6 5164 2612).