Het Wetsvoorstel wet toekomst pensioenen (Wtp) omvat onder andere een hervorming van het nabestaandenpensioen. De voorgestelde wijzigingen moeten er volgens de wetgever voor zorgen dat het nabestaandenpensioen meer wordt gestandaardiseerd, adequater en begrijpelijker wordt en dat de risico’s voor nabestaanden worden verkleind. Dit met als doel om eventuele schrijnende situaties bij overlijden van een deelnemer zoveel mogelijk te voorkomen.

In dit blog hebben wij de belangrijkste wijzigingen van het nabestaandenpensioen (lees: partner- en wezenpensioen) overzichtelijk weergegeven. Daarnaast staan wij stil bij de recente parlementaire ontwikkelingen. Wij eindigen het blog met een handvat voor de sector. 

Belangrijkste wijzigingen nabestaandenpensioen

De belangrijkste wijzigingen aan het nabestaandenpensioen zijn als volgt:

Ad partnerpensioen

  • Vóór pensioendatum:
    • De Wtp schrijft voor dat partnerpensioen bij overlijden voor de pensioendatum alleen nog mogelijk is op basis van risicodekking.
    • De dekking is maximaal 50% van het laatstverdiende loon[1], waarbij de dekking diensttijdonafhankelijk wordt. Dit laatste moet volgens de wetgever zorgen voor een betere aansluiting bij de huidige arbeidsmarkt.
    • De franchise speelt hierdoor geen rol meer. Dit moet volgens de wetgever gunstiger uitpakken voor deelnemers met een lager inkomen.
  • Ná pensioendatum:
    • De Wtp kent geen inhoudelijke wijzigingen voor het partnerpensioen in het geval van overlijden ná de pensioendatum.
    • Het is nog steeds een kapitaalgedekt partnerpensioen dat gekoppeld wordt aan de hoogte van het ouderdomspensioen, waarbij de dekking diensttijdafhankelijk wordt.

De Wtp wijzigt dus vooral de dekking van het partnerpensioen vóór pensioendatum. Het is goed om te beseffen dat de risicodekking van het partnerpensioen vóór de pensioendatum vervalt bij einde van het deelnemerschap aan een pensioenregeling.

Om dit risico zoveel mogelijk te voorkomen, heeft de wetgever de volgende mitigerende maatregelen opgenomen in de Wtp:

  • Verplichte uitloopperiode van 3 maanden bij einde dienstverband: de risicodekking voor het partnerpensioen loopt in deze periode ongewijzigd door bij de oude pensioenuitvoerder. Dit geldt ook voor deelnemers die (gedeeltelijk) ziek uit dienst treden of als ZZP’er aan de slag gaan.
  • Voortzetting van de risicodekking gedurende de WW-periode (net als nu het geval is), zij het tegen een hogere dekking. Volgens het huidige recht wordt voor de risicodekking namelijk uitgegaan van een tijdsevenredige voortzetting van het partnerpensioen. Echter, volgens de Wtp loopt de risicodekking voor partnerpensioen in deze periode onverkort door bij de oude pensioenuitvoerder.
  • Vrijwillige voortzetting van de risicodekking na afloop van de verplichte uitloopperiode van 3 maanden danwel na afloop van de WW-periode (zie voorgaande genoemde punten). De premie voor de vrijwillige voortzetting wordt in deze gevallen onttrokken uit het pensioenvermogen van de gewezen deelnemer[2][3].
  • Vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling na einde dienstverband voor eigen rekening. Hiermee wordt de (eventuele) mogelijkheid voor (begrensde) vrijwillige voortzetting bedoeld die op dit moment al is opgenomen in de huidige Pensioenwet.

Verder komt er verduidelijking rondom de definitie van de partner. Als partners worden aangemerkt: gehuwden, geregistreerd partners en degenen die een gezamenlijke huishouding voeren. De Wtp heeft het begrip gezamenlijke huishouding nader uitgewerkt. Hiervoor moeten betrokkenen in ieder geval een notarieel samenlevingsovereenkomst hebben gesloten of een gezamenlijke samenlevingsverklaring hebben ondertekend. Laatstgenoemde verklaring kan worden ingediend bij een pensioenfonds om aan te tonen dat er sprake is van een duurzame relatie. Deze verklaring kan ook, eenzijdig, na overlijden van een van de partners nog worden ingeleverd. Hierin maakt de achterblijvende partner tenminste aannemelijk dat er voor minimaal zes maanden sprake was van samenwonen.

Ad wezenpensioen

De Wtp regelt een uniform wezenpensioen tot 25 jaar zonder verdere (scholings-) voorwaarden.

  • De maximale fiscale ruimte voor het wezenpensioen wordt fors verruimd ten opzichte van het huidige stelsel, dat wil zeggen:
    • Half wezen[4]: maximaal 20% van het pensioengevend salaris.
    • Volle wezen: maximaal 40% van het pensioengevend salaris.
    • De grondslag voor de dekking van het wezenpensioen wordt, net als bij het partnerpensioen, gebaseerd op het pensioengevend salaris. Hierbij wordt geen rekening gehouden met een franchise, waarbij de dekking diensttijdonafhankelijk is.

 

Overgangsrecht nabestaandenpensioen

De Wtp voorziet in overgangsrecht op grond waarvan al opgebouwde aanspraken worden geëerbiedigd. Dit betreffen concreet de opgebouwde aanspraken op partner- en wezenpensioen die zijn opgebouwd vóór de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit overgangsrecht is bedoeld om te voorkomen dat er onevenredige nadelen bij (ex)partners en wezen ontstaan. Hieronder twee voorbeelden ter illustratie:

  • Een gewezen deelnemer heeft geen risicodekking meer op het nabestaandenpensioen. Op het moment dat de gewezen deelnemer vóór pensioendatum overlijdt, zou er zonder toepassing van het overgangsrecht geen nabestaandenpensioen zijn voor de nabestaanden terwijl er wel jarenlang opgebouwde aanspraken in het huidige pensioenstelsel (lees: voor overgang naar het nieuwe pensioenstelsel) zijn opgebouwd.
         
  • Indien een gescheiden deelnemer in het huidige pensioenstelsel (lees: voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel) nabestaandenpensioen heeft opgebouwd in de huwelijkse periode zorgt het overgangsrecht, bij overlijden van de deelnemer, ervoor dat reeds opgebouwde aanspraken op het bijzonder partnerpensioen beschikbaar blijven tot het doen van een uitkering.

Noot: in de praktijk kan het overgangsrecht ertoe leiden dat een nabestaande (tijdelijk) juist een extra hoge uitkering zal ontvangen, bestaande uit het geëerbiedigde nabestaandenpensioen op opbouwbasis en het nabestaandenpensioen op risicobasis. Tijdens de parlementaire behandeling is hierover de vraag gesteld in hoeverre bij de toets aan het nieuwe fiscale maximum voor partnerpensioen bij vooroverlijden (lees: 50% van het salaris) rekening wordt gehouden met het gehandhaafde partnerpensioen op opbouwbasis [5]. Ten tijde van afronding dit blog is deze vraag nog niet eensluidend beantwoord.

Recente ontwikkelingen Wtp en nabestaandenpensioen

De hervorming van het nabestaandenpensioen – met de name de introductie van een verplichte risicodekking - heeft tijdens de parlementaire behandeling van de Wtp in de Tweede Kamer de nodige aandacht gevergd.

Zo is tijdens de artikelsgewijze behandeling van de Wtp begin december 2022 een apart blok gewijd aan het onderwerp nabestaandenpensioen. Hierin heeft minister Schouten onder andere aangegeven te gaan onderzoeken wat de gevolgen zijn van restitutie van pensioenkapitaal bij overlijden voor de pensioendatum. De reactie op dit onderzoek wordt betrokken bij het wetsvoorstel Keuzemogelijkheid bij nabestaandenpensioen dat in de loop van 2023 in consultatie gaat[6].

Vervolgens zijn er bij de voortzetting van de plenaire behandeling van de Wtp medio december 2022 meerdere moties en amendementen ingediend, ook ten aanzien van nabestaandenpensioen. Op 20 december 2022 heeft de Tweede Kamer hierover gestemd. Tijdens deze stemming is onder andere een amendement aangenomen dat zorgt voor het doorlopen van de risicodekking tijdens het recht op een Ziektewetuitkering[7] evenals een amendement dat voorziet in de keuzemogelijkheid voor sociale partners om een standaard uitloopdekking van 6 maanden in plaats van 3 maanden af te spreken[8]. In het verlengde van de eerdere toezegging van minister Schouten is verder een motie aangenomen voor het onderzoeken van de mogelijke vormen van restitutie[9].

Op 22 december 2022 is de Wtp aangenomen door de Tweede Kamer. Ten tijde van afronding van dit blog is de Wtp in gewijzigde vorm (inclusief alle aangenomen amendementen en moties van 20 december jl.) ingebracht bij de Eerste Kamer. De Eerste Kamer is op 17 januari 2023 gestart met de behandeling van de Wtp. De streefdatum van inwerkingtreding van de Wtp is vooralsnog 1 juli 2023. Pensioenfondsen moeten uiterlijk 1 januari 2027 aan de nieuwe regels voldoen.

Slot

Sociale partners en pensioenfondsen zullen zich de komende periode moeten buigen over de vormgeving van de nieuwe pensioenregeling. De inrichting van het nabestaandenpensioen is hier een belangrijk onderdeel van. In dit blog hebben wij de belangrijkste wijzigingen in de Wtp met betrekking tot het nabestaandenpensioen nader uiteengezet.

Het is raadzaam dat partijen vroegtijdig over deze wijzigingen in overleg treden. Dit met als doel om (toegesneden op de specifieke situatie) te komen tot een adequate dekking van het nabestaandenpensioen en om schrijnende gevallen zoveel als mogelijk te voorkomen.

Voor vragen kunt u contact opnemen met Boudewijn Broers (Senior Pensioenjurist – KPMG Pensions Advisory) of met Olivier Roodenburg (Senior Manager – KPMG Pensions Advisory)

Footnotes

[1] In het huidige pensioenstelsel is dit veelal 70% van het te bereiken ouderdomspensioen.

[2] De MvT bij de Wtp spreekt hier ook wel over “uitruil van ouderdomspensioen in voortzetting risicodekking na einde dienstverband”

[3] De wetgever legt geen beperking op wat betreft de maximum duur. Sociale partners kunnen overeenkomen dat deze voortzetting beperkt wordt in tijd. Voortzetting is verder ook niet mogelijk wanneer er geen premie meer aan het pensioenkapitaal kan worden onttrokken. 

[4] In het huidige stelsel was dit voor halve en volle wezen respectievelijk 14% en 28% van het te bereiken ouderdomspensioen.

[5] NOB-commentaar ter zake van de Wet toekomst pensioenen d.d. 22-04-2022

[6] Verslag wetgevingsoverleg Tweede Kamer 5-12-2022

[7] Amendement Kamerlid Omtzigt (TK 36067, nr. 171)

[8] Amendement Kamerlid Ceder (TK 36067, nr. 55)

[9] Motie Ceder/Stoffer (TK 36067, nr. 160)