De Voorbeeldjaarrekening die de branchegroep Pensioenen jaarlijks uitbrengt, biedt pensioenfondsen en hun uitvoerders een praktisch houvast voor de inrichting van de jaarverslaggeving. Het model 2021 is de veertiende editie en voldoet aan alle actuele richtlijnen en eisen die aan de jaarverslaggeving van pensioenfondsen worden gesteld.

Inleiding

In de editie 2021 van de KPMG Voorbeeldjaarrekening voor pensioenfondsen zijn alle actuele ontwikkelingen op het gebied van jaarverslaggeving meegenomen. Het aantal wijzigingen in de verslaggevingseisen, zoals opgenomen in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, is zeer beperkt ten opzichte van voorgaand jaar. Net als voorgaande jaren is er echter wel sprake van een groot aantal ontwikkelingen in de sector, waaraan in de jaarverslaggeving aandacht moet worden besteed.

Transitie naar nieuw pensioenstelsel

Allereerst betreft dit de ontwikkelingen rondom de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. De maatregelen zijn door het kabinet uitgewerkt in een conceptwetsvoorstel (Wet toekomst pensioenen) met een beoogde ingangsdatum van
1 januari 2023. Uiterlijk 1 januari 2027 moet het nieuwe pensioenstelsel in werking treden. Veel pensioenfondsen (en hun uitvoeringsorganisaties) zijn in overleg met sociale partners al gestart met de eerste voorbereidingen. Wij verwachten daarom dat pensioenfondsen in hun bestuursverslag 2021 stil staan bij de wijze waarop het fonds zich voorbereidt op de transitie, de hoofdlijnen van de geplande transitie en de voortgang van het project.

Voor het jaar 2022 blijft gelden dat in aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel onnodige kortingen worden voorkomen. Door middel van de vrijstellingsregeling van 17 december 2021 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloten om in 2022 – net als de voorgaande twee jaren – het aantal meetmomenten waarna aan het minimaal vereiste vermogen moet worden voldaan te verruimen. Dit geldt eveneens voor de hersteltermijnen van het vereist eigen vermogen. Net als voorgaande jaren wordt hierbij in 2022 (met als ijkmoment 31 december 2021) een minimale dekkingsgraad van 90% gehanteerd en dient het bestuur in de besluitvorming de belangen van alle deelnemers evenwichtig af te wegen. Indien pensioenfondsen gebruikmaken van deze vrijstelling zullen zij dit duidelijk moeten vermelden in de jaarverslaggeving en moeten toelichten wat de gevolgen zouden zijn zonder toepassing van de vrijstelling.

Voor pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 90% geldt dat zij wel een onvoorwaardelijke korting moeten doorvoeren tot zij een dekkingsgraad hebben van 90%. Deze korting mag eventueel gespreid worden doorgevoerd gedurende de termijn die gebruikt wordt voor het herstelplan. Gezien de impact op deelnemers zal in dit geval een zorgvuldige toelichting vereist zijn, mede gericht op de wijze waarop het bestuur invulling heeft gegeven aan de evenwichtige belangenafweging van alle betrokken partijen.

Wilfred Kevelam

Head of Pensions Audit

KPMG Nederland

E-mail

Maatschappelijk verantwoord beleggen

Een andere belangrijke ontwikkeling betreft de toenemende aandacht voor niet-financiële informatie en maatschappelijk verantwoord beleggen. Daarnaast is er veel nieuwe regelgeving om dit gebied, zoals de Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR) en de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). De concrete gevolgen van de nieuwe regelgeving voor de jaarverslaggeving van pensioenfondsen zijn op dit moment nog niet geheel duidelijk. De ontwikkelingen zorgen er in ieder geval voor dat maatschappelijk verantwoord beleggen hoog op de agenda staat van ieder pensioenfonds. Hierbij worstelen veel fondsen met de wijze waarop zij verantwoording afleggen in de jaarverslaggeving over dit onderwerp. Het is een uitdaging om beknopt en concreet uiteen te zetten wat de doelstellingen van het fonds zijn, welk beleid hierop is geformuleerd en wat de resultaten daarvan zijn.  

Kostentransparantie

In april 2021 publiceerde de AFM de resultaten van haar onderzoek naar de toelichting op de uitvoeringskosten in de jaarverslagen over 2019 van 166 pensioenfondsen. Hierbij concludeerde de AFM dat niet alle fondsen voldoen aan de bepalingen vanuit de Pensioenwet en de Aanbevelingen van de Pensioenfederatie ten aanzien van  uitvoeringskosten. Ook zijn Kamervragen gesteld over de kostentransparantie door pensioenfondsen, die door de staatsecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 8 november 2021 schriftelijk zijn beantwoord.

Deze ontwikkelingen illustreren de hoge maatschappelijke aandacht ten aanzien van uitvoeringskosten en het belang van een goede toelichting ten aanzien van dit onderwerp in het bestuursverslag. Dit geldt eens temeer in de aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel, waarbij de transitie gepaard zal gaan met hogere kosten die een goede toelichting vragen.

Voorbeeldjaarrekening biedt praktisch houvast

In de nieuwe editie van de Voorbeeldjaarrekening voor pensioenfondsen hebben wij de voorbeeldteksten ten aanzien van bovenstaande onderwerpen geactualiseerd. Daarnaast is ook rekening gehouden met ontwikkelingen die een meer technisch karakter kennen. Een voorbeeld hiervan betreft de toepassing van de aangepaste UFR-parameters. Hiervoor geldt dat de wijziging van de UFR-parameters van 1 januari 2021 verwerkt dient te worden in de jaarrekening 2021. Het effect van de wijziging van de UFR-parameters per 1 januari 2022 dient conform voorgaand jaar te worden toegelicht onder de gebeurtenissen na balansdatum.

Met deze Voorbeeldjaarrekening bieden wij pensioenfondsen en hun uitvoerders een praktisch houvast bij het opstellen van de jaarverslaggeving over boekjaar 2021. De voorbeeldteksten dienen uiteraard aangepast te worden naar de specifieke feiten en omstandigheden van het fonds.

Voor een nadere toelichting of vragen kunt u contact met een van de auteurs opnemen.