close
Share with your friends

De financiële positie (dekkingsgraad) van pensioenfondsen staat al jaren onder druk. De coronacrisis heeft deze druk, mede door de gedaalde rente, verder verhoogd. Ondanks enkele verlichtende signalen (Prognosetafel AG2020 en gefaseerd invoeren van de nieuwe UFR-parameters) zijn veel pensioenfondsen nog niet uit de gevarenzone wat betreft hun dekkingsgraad ultimo 2020.

Minister Koolmees heeft, in aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel, toegezegd dat er ultimo 2020 weer gebruik kan worden gemaakt van een versoepeling van de kortingsregelingen. Maar de pensioenfondsen dienen hierover zelf een beslissing te nemen die strookt met hun beleid en de evenwichtige belangenbehartiging. Dat is geen sinecure in deze tijden.

Pensioenfondsen zijn verplicht om een Financieel Crisisplan (FCP) op te stellen, waarin vooraf wordt beschreven hoe er zal worden gehandeld in geval van een crisis. Dat er momenteel sprake is van een crisis, is wel duidelijk. Maar geeft het FCP in de huidige omstandigheden ook voldoende houvast voor beleidsbeslissingen? Of geeft het plan nog ruimte voor het bestuur om af te wijken van de vastgelegde regels? Als er wordt afgeweken, hoe wordt de afwijking gemotiveerd en hoe legt het bestuur hierover verantwoording af?

Financieel Crisisplan

Artikel 145 van de Pensioenwet (PW) beschrijft de verplichting tot het opstellen van een FCP. In artikel 29B van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is nader uitgewerkt wat er in ieder geval in een FCP moet worden opgenomen.

Als onderdeel van de Actuariële en bedrijfstechnische nota (ABTN) wordt een FCP opgesteld waarin het pensioenfonds beschrijft welke maatregelen ingezet kunnen worden in de situatie dat het pensioenfonds niet meer beschikt over het vereist eigen vermogen (VEV) of het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV).

Het doel van een FCP is dat pensioenfondsbesturen vooraf nadenken over en opschrijven wat er in een (financiële) crisissituatie dient te gebeuren en welke mogelijkheden er zijn om uit de crisissituatie te komen.

In de praktijk beschrijven de financiële crisisplannen met name de situatie dat de (beleids)dekkingsgraad onder het VEV, MVEV of een intern gedefinieerde grens komt en wat hiervan de beleidsmatige gevolgen zijn.

De risico’s die kunnen leiden tot een crisissituatie zijn veelal sectorbreed: lage rente, tegenvallende beleggingsopbrengsten en hogere levensverwachting, soms aangevuld met fondsspecifieke aspecten rondom het draagvlak voor de pensioenregeling of de financiële situatie bij de sponsor.

De maatregelen die worden beschreven in de financiële crisisplannen kunnen als volgt worden samengevat:

  • aanpassen beleggingsbeleid;
  • premieverhoging;
  • additionele bijdrage werkgever (bijstorting);
  • niet verlenen of verminderen toeslagen;
  • versoberen regeling;
  • korten van pensioenaanspraken.

Daarnaast wordt er in de Financiële Crisisplannen aandacht geschonken aan de effecten van deze maatregelen, de evenwichtige belangenbehartiging, communicatie en het besluitvormingsproces.

De Financiële Crisisplannen zijn (als onderdeel van de ABTN) in de meeste gevallen beschikbaar op de website van het pensioenfonds. Dus alle belanghebbenden kunnen hier kennis van nemen.

Maar de vraag is of de maatregelen die het bestuur vooraf heeft opgeschreven en geaccordeerd in de huidige crisis ook worden toegepast. Hoe verhouden de risico’s in deze crisissituatie zich tot de risico’s zoals beschreven in andere beleidsdocumenten? Hiervoor kan ook een ander beleidsdocument van belang zijn: de Eigen Risico Beoordeling (ERB).

Eigen Risico Beoordeling

Volgens artikel 143 PW dient een pensioenfonds zijn organisatie zodanig in te richten dat deze een beheerste en integere bedrijfsvoering waarborgt. In lid 2 wordt aangegeven dat dit verder kan worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Dit is ook gebeurd door middel van artikel 18B van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Hierin is beschreven hoe, om de beheerste en integere bedrijfsvoering te waarborgen, een pensioenfonds een ERB moet opstellen en hoe het fonds deze ERB in aanmerking neemt bij (strategische) beleidsbeslissingen omtrent risicobeheer.

In artikel 18B lid 1 staat dat het pensioenfonds in het kader van het risicobeheer ten minste driejaarlijks een ERB uitvoert. Tevens dient in het geval van een significante wijziging in het risicoprofiel van het fonds of door het fonds uitgevoerde pensioenregelingen zo spoedig mogelijk een ERB plaats te vinden.

De ERB dient onder meer een beoordeling van de totale financieringsbehoefte, een beschrijving van het herstelplan (indien van toepassing) en een beoordeling van de risico’s voor (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden te bevatten, rekening houdend met de mogelijkheden van toeslagverlening en vermindering van pensioenaanspraken. Hier ligt dus een belangrijke link met het FCP.

De ERB moet aan de toezichthouder worden gestuurd. Het is niet bekend hoeveel pensioenfondsen inmiddels een ERB hebben opgesteld. De pensioenfondsen hebben hun ERB niet openbaar gemaakt (op hun website). Daardoor hebben deelnemers geen inzicht in de link tussen het FCP en de ERB.

Onduidelijkheid besluitvormingskaders

Hoe nu beleidsbeslissingen te nemen in deze onzekere tijden?

Er lijkt een duidelijk kader. Pensioenfondsen hebben in het FCP aangegeven hoe ze zullen omgaan met de huidige (financiële) crisis. Dit is voor iedereen inzichtelijk.

Echter, minister Koolmees heeft toezeggingen gedaan over versoepeling van de kortingsregels. Hoewel deze toezeggingen nog wel in een ministeriële regeling moeten worden verankerd, biedt dit mogelijk ruimte om van de uitgangspunten in het FCP af te wijken.

Tegelijkertijd hebben pensioenfondsen een ERB opgesteld waarin risico’s en beheersmaatregelen zijn benoemd en wordt weergegeven hoe deze worden betrokken in de strategische besluitvorming. Voor pensioenfondsen die nog geen ERB hebben opgesteld vormen de huidige omstandigheden mogelijk een indicatie voor een ‘significante wijziging in het risicoprofiel’ van het pensioenfonds, hetgeen alsnog kan leiden tot de verplichting om een ERB op te stellen.

Vervolgens komt de vraag op of de mogelijkheid die geboden wordt om af te wijken van de in het FCP geformuleerde maatregelen ook van toepassing is op de maatregelen in de ERB?

Dit creëert onduidelijkheid over de spelregels voor cruciale besluitvorming over mogelijke kortingen van aanspraken.

Volgens de wet zijn en blijven bestuurders verantwoordelijk voor het nemen van de beslissing omtrent (mogelijke) kortingen en dienen de belangen van de betrokken deelnemers evenwichtig te worden behartigd. Maar doordat er nu zo veel politieke en maatschappelijke druk ontstaat, is onduidelijk volgens welke regels die afweging moet worden gemotiveerd. 

Verantwoording

Dat het politiek gevoelig ligt om dit jaar kortingen door te voeren, in het licht van de komende verkiezingen, is begrijpelijk. Maar pensioenfondsbesturen dragen een eigen verantwoordelijkheid.

In de afgelopen jaren is er veel aandacht besteed aan het uitwerken van het FCP en de ERB. Op het meest relevante moment in de tijd moeten besturen deze beleidsdocumenten betrekken in hun besluitvorming. Alleen zo kan de evenwichtige belangenbehartiging adequaat worden onderbouwd.

De jaarverslaggeving over 2020 van pensioenfondsen vormt hierin een cruciale schakel. Het bestuur dient in het bestuursverslag (en de risicoparagraaf in de jaarrekening) een goede uiteenzetting te geven van de wijze waarop het is omgegaan met de maatregelen uit het FCP en de ERB. Op deze manier maakt het bestuur zijn evenwichtige belangenbehartiging transparant, inclusief de besluitvorming omtrent mogelijke kortingen. Indien van toepassing, dient dit ook adequaat verwerkt te worden in de jaarrekening 2020.

Head of Pensions Audit

KPMG Nederland

Contact