close
Share with your friends

In een eerder artikel heb ik, aan de hand van gestileerde voorbeelden, getracht inzicht te geven in de impact van de (lage) rente op de tekorten bij pensioenfondsen.
(Zie artikel 'Hoe pensioenfondsen (moeten) rekenen'.)

Nu de contouren van het nieuwe pensioenakkoord steeds duidelijker worden, wordt een oplossing voor de tekorten voorgespiegeld waarbij de 'problematiek' van de (lage) dekkingsgraad als sneeuw voor de zon verdwijnt. Hoe kan dat?

Principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel

Het Principeakkoord omtrent de vernieuwing van het pensioenstelsel (zoals beschreven in de brief van minister Koolmees d.d. 5 juni 2019) en de thans bekende verdere uitwerking bevatten veel verschillende elementen om het financiële oudedagsperspectief van werkenden te verbeteren, waaronder de minder snelle stijging van de AOW-leeftijd, meer keuzemogelijkheden om eerder te stoppen met werken, verplichte AOV en mogelijkheid tot deelname aan de pensioenregeling van de bedrijfstak voor zelfstandigen en toekomstbestendige pensioenopbouw.

Belangrijke elementen van het huidige, goed aangeschreven, Nederlandse pensioenstelsel blijven behouden: de bestaande verplichtstelling, collectieve uitvoering, collectieve risicodeling en fiscale facilitering.

De 'nominale zekerheid' van het huidige pensioenstelsel wordt daarentegen losgelaten en er wordt overgestapt op een premieregeling, waarbij de premiekosten stabieler en beter voorspelbaar worden en het pensioenstelsel veel persoonlijker wordt.

De doorsneesystematiek wordt afgeschaft en een leeftijdsonafhankelijke premie wordt het nieuwe uitgangspunt.

Veel pensioenovereenkomsten zullen moeten worden aangepast. Ten aanzien van de overgang, en de effecten van mogelijke 'invaar'-verschillen, moeten nog veel punten worden opgelost. De financiering van huidige tekorten is daarbij nog een groot vraagteken. Maar hier gaan we nu niet nader op in.

Uitwerking premieregeling

Wat gaat er nu gebeuren met het effect van de lage rente en de (lage) dekkingsgraden?

De nieuwe premieregeling werkt niet meer met aanspraken en dus ook niet meer met verplichtingen van het pensioenfonds. Er is dan ook geen sprake meer van (risicovrije) rekenrente en dekkingsgraden. Daarvoor in de plaats komt een collectieve 'pensioenpot' met een individueel aandeel van de deelnemers daarin. Hierbij wordt een link gelegd tussen ingelegde premie, verwacht rendement en levensverwachting en het te verwachten pensioen met een 'projectiemethode'.

Tevens komt er een zogenoemde (beperkte) 'collectieve solidariteitsreserve', gevuld uit premies en/of overrendement, om risico's (volgens nog uit te werken regels) te dempen.

Wijzigingen in de financiële positie van het fonds – veroorzaakt door (over)rendement en wijzigingen in de leeftijdsverwachtingen – werken door in het pensioenresultaat voor alle deelnemers, maar kunnen verschillen per leeftijdscohort.

De debetzijde van de balans van een pensioenfonds (de beleggingen) verandert dus niet. Echter, de 'creditzijde' van de balans zal er anders uit gaan zien.

Voor alle duidelijkheid: door de gemaakte afspraken is er niet ineens meer geld in een pensioenfonds.

Marktwaarde in de balans van een pensioenfonds

Om de impact van de nieuwe regeling inzichtelijk te maken schets ik een gestileerde jaarrekening van een pensioenfonds in de 'oude' situatie:

  • Aan het begin van het jaar heeft het pensioenfonds beleggingen van 1.000 en is de contante waarde van de (nominale) verplichtingen 980. 
  • Door de mutaties in het jaar (zie de staat van baten en lasten) stijgen de beleggingen naar 1.041. De verplichtingen stijgen echter harder (door dalende risicovrije rente), namelijk naar 1.060. 
  • Het positieve eigen vermogen van 20 is gedaald naar negatief 19 en de dekkingsgraad is daarmee gedaald van 102% naar 98%.

Head of Pensions Audit

KPMG Nederland

E-mail
pensioenakkoord 1

Volgens het uitgewerkte pensioenakkoord gaat deze gestileerde jaarrekening er als volgt uitzien:

Pensioenakkoord 2

De beleggingen worden in de oude en nieuwe situatie gewaardeerd tegen marktwaarde. Deze wijzigen dus niet.

De pensioenverplichtingen werden voorheen ook gewaardeerd tegen marktwaarde, waarbij verwachte toekomstige uitkeringen contant werden gemaakt tegen een rekenrente: de zogenoemde rentetermijnstructuur (RTS) die door DNB wordt gepubliceerd.

In het gestileerde voorbeeld bedroegen de toekomstige nominale pensioenuitkeringen voor de komende jaren in totaal 1.200. Doordat in de waardering van de pensioenverplichtingen rekening mocht worden gehouden met toekomstige rendementen, werden deze verplichtingen 'contant gemaakt'. Door de daling van de rente gedurende het jaar was de marktwaarde van de pensioenverplichtingen gestegen van 980 naar 1.060.

Doordat het eigen vermogen echter negatief was geworden (en dus de dekkingsgraad onder de 100% was gekomen) bestond het risico dat alle aanspraken met 2% gekort zouden moeten worden. Hierdoor zouden de nominale pensioenuitkeringen voor de komende jaren dus dalen naar circa 1.176.

Volgens het Pensioenakkoord zal in de nieuwe balans niet meer zichtbaar zijn wat het risico is van mogelijke kortingen.

De pensioenpot is beschikbaar voor de individuele deelnemers. In de individuele communicatie naar iedere deelnemer moet inzichtelijk worden gemaakt hoe zijn/haar pensioenpot zal renderen op basis van een verwacht rendement van het pensioenfonds.

Hierbij komt een veel grotere verantwoordelijkheid bij sociale partners, werkgevers en ook het pensioenfondsbestuur te liggen om het verwachte rendement goed te onderbouwen, te alloceren en te communiceren naar de verschillende (cohorten van) deelnemers.

Er wordt ook een groot beroep gedaan op het inzicht of inlevingsvermogen van de individuele deelnemers. Wat is nu meer waard: een verwachte nominale uitkering van 1.176 of een pensioenpot van 1.041 die met een 'projectierendement' mogelijk uitkomt op 1.200?