close
Share with your friends

Consolidatievrijstelling beleggingsentiteiten: reactie op AFM-reactie

Consolidatievrijstelling beleggingsentiteiten

In essentie zijn Meershoek en wij het met elkaar eens dat het specifiek voor beleggingsentiteiten beter is om meerderheidsbelangen in beleggingen niet te consolideren, maar deze als beleggingen op te nemen tegen reële waarde.

Kees Roozen

Director afdeling vaktechniek

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

Open book with blur background

Dit artikel is geschreven door mr. drs. J.F. Garvelink en drs. C.M. Roozen RA1

Wij danken Meershoek van de AFM voor zijn reac- tie2 op ons artikel inzake de consolidatievrijstelling voor beleggingsentiteiten.3 In dat artikel zijn wij ook ingegaan op de reactie van de AFM4 op de (toen nog) ontwerp-richtlijn van de RJ.5

Wij reageren hier graag kort op de bijdrage van Meershoek en zullen daarbij proberen niet te veel in herhaling te vallen.

In essentie zijn Meershoek en wij het met elkaar eens dat het specifiek voor beleggingsentiteiten beter is om meerderheidsbelangen in beleggingen niet te consolideren, maar deze als beleggingen op te nemen tegen reële waarde. Juist bij beleggingsen- titeiten levert consolidatie immers weinig relevan- te of bruikbare informatie op. Beleggingsentiteiten drijven immers geen gezamenlijke onderneming met hun (meerderheidsbelangen in) beleggingen. Dan levert consolideren van die meerderheidsbe- langen, als ware dat wel zo, geen getrouw beeld op.6 Dat achten wij doorslaggevend.

Wij ondersteunen ook de gedachte in paragraaf 4.1 van de bijdrage van Meershoek dat het hanteren van historische kostprijs als waarderingsgrondslag voor deze meerderheidsbelangen van beleggingsen- titeiten ongelukkig is, om niet te zeggen strijdig met het karakter van beleggen (door deze beleggingsen- titeiten). Wij zouden ons kunnen voorstellen dat in

  1. ​Mr. drs. J.F. Garvelink en drs. C.M. Roozen RA zijn respectievelijk advocaat bij Blaisse in Amsterdam en director vaktechniek bij KPMG Accountants in Am- stelveen. Beiden zijn vaste medewerker van dit tijd- schrift. Deze bijdrage is geschreven op persoonlijke titel.
  2. A.W.J. Meershoek MSc RA RC: 'Reactie op artikel 'Vrij- stelling consolidatie door beleggingsentiteiten in de praktijk', TvJ 2016, nr. 1.
  3. 'Vrijstelling consolidatie door beleggingsentiteiten in de praktijk', TvJ 2015, nr. 6.
  4. Commentaarbrief AFM aan de Raad voor de Jaarver- slaggeving (ongedateerd) bij RJ uiting 2015-4.
  5. RJ-Uiting 2015-4. Inmiddels is de ontwerp-richtlijn de- finitief geworden en opgenomen in RJ 217 en RJ 615.
  6. In de visie van Van der Zanden 'behoren vraagstuk- ken ter zake van consolidatie in eerste aanleg echter vanuit het beoogde doel te worden beantwoord'. Dat onderschrijven wij graag. Prof. dr. mr. P.M. van der Zanden RA, 'Consolidatie, zin en onzin vanuit juri- disch en bedrijfseconomisch perspectief', TvJ 2015, nr. 6, p. 139 onderaan.

een volgende versie van de richtlijn het waarderen op reële waarde verplicht wordt gesteld.7

Meer in het algemeen zou je de vraag kunnen stel- len of het nu gemaakte onderscheid tussen wel of niet consolideren niet wat consequenter zou kun- nen worden gekoppeld aan de wijze van waarde- ren van kapitaalbelangen. Het huidige systeem is niet erg makkelijk hanteerbaar of inzichtelijk. De vraag is of het onderscheid tussen ondernemen of beleggen niet steeds doorslaggevend zou moeten zijn. Dat is evenwel voor een andere keer. Wij keren terug naar de reactie van Meershoek van de AFM. Hoewel Meershoek het immers met ons eens is dat de consolidatievrijstelling goed is, pleit hij daar toch tegen. Dat lijkt te wringen en de argumenten daarvoor overtuigen ons ook niet.

1. De drie argumenten van AFM nader beschouwd

Wij gaan opnieuw kort in op de belangrijkste argu- menten van Meershoek.

  1. Uitleg 2:407 lid 1 sub c BW

De wet bepaalt dat de consolidatieplicht niet geldt voor maatschappijen waarin het belang slechts wordt gehouden om het te vervreemden. Meers- hoek is van mening dat beleggingsentiteiten in het algemeen geen beroep kunnen doen op de in art. 2:407 lid 1 sub c BW bedoelde vrijstelling. De wetsge- schiedenis geeft echter geen steun aan de zozeer be- perkte interpretatie van de term 'slechts' die Meers- hoek daarmee suggereert. Het criterium 'slechts ter vervreemding' is al sinds 1989 op deze wijze in het BW opgenomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet hoe het begrip 'slechts wordt gehouden om het te vervreemden' concreet moet worden ingevuld. 8 De

​7. Omdat de wet nu waardering op historische kostprijs mogelijk maakt is de RJ hier mogelijk terughoudend geweest, maar dat probleem kan worden opgelost door als voorwaarde voor het gebruik van de conso- lidatievrijstelling waardering op reële waarde voor te schrijven.

8. Wel wordt in de Memorie van Toelichting bij kamer- stuk 19813 op p. 14 een voorbeeld gegeven van een kleindochter waarbij het voornemen tot verkopen al wetgever heeft het - zoals bij de meeste verslagge- vingsvoorschriften - niet in detail uitgewerkt maar laat het over aan de praktijk. Dat betekent dus dat er geïnterpreteerd zal moeten worden.9 Dat is de dagelijkse praktijk van het recht. De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft daar voor de verslaggeving een taak, die zij invult. Dat is algemeen aanvaard.10 Zie ook het arrest Sobi/KPN11 waar Meershoek naar verwijst, welk arrest in onze opvatting juist duidt op de noodzaak van uitleg en interpretatie

Over de toepassing van het 'slechts ter vervreem- ding' criterium is bovendien nauwelijks jurispru- dentie beschikbaar, behalve de uitspraak van de Accountantskamer inzake de controle van de jaar- rekening van Econcern BV.12 Daarin noemt de Ac- countantskamer het bepaalde in RJ 217.305, alsme- de de daarin genoemde exit-strategie (ro. 4.5.1). Dat sluit aan bij onze visie.

Het lijdt eigenlijk geen enkele twijfel dat de wijze waarop de RJ hier invulling aan de wet geeft een volkomen legitieme interpretatie is.

Uit de wetsgeschiedenis volgt in ieder geval niet dat de wetgever van mening is dat de consolidatie- vrijstelling van art. 2:407 lid 1 sub c BW niet enigs- zins ruim kan worden toegepast, zoals Meershoek suggereert. De term ruimhartig waar hij het over heeft wordt in de kamerstukken niet gebruikt.13 In- dien Meershoek het begrip 'ruimhartig' gelijk stelt met de woorden 'de vrije hand geven', zoals dat wel wordt gedaan in de kamerstukken, zijn wij van me- ning dat de voorwaarden die worden gesteld (zoals een concrete exit-strategie) er juist voor zorgen dat toepassing ervan wordt beperkt.

​van meet af aan bestond en om die reden niet hoeft te worden geconsolideerd. In het voorbeeld is een kleindochtermaatschappij gekocht, omdat de moe- dermaatschappij was gekocht waarin deze klein- dochtermaatschappij was begrepen, maar waarvan de koper al bij de koop het voornemen had om deze kleindochtermaatschappij te verkopen. In dat geval blijft de kleindochtermaatschappij buiten beschou- wing bij het beoordelen en besturen van de groep.

9. De legalistische benadering, waarbij interpretatie tot een minimum wordt beperkt en in beginsel slechts de letter van de wet geldt, doet al geruime tijd geen opgeld meer in Nederland, zeker niet bij vraagstuk- ken van verslaggeving. Dat Meershoek schrijft dat de AFM daarvoor kiest bevreemdt dan ook wat, al lijkt er ook sprake te zijn van enige begripsverwarring (le- galisme heeft immers niet te maken met het zich hou- den aan de wet, zoals Meershoek suggereert, maar met de wijze van interpretatie daarvan).

10. Even daargelaten de wel vaker, bijvoorbeeld door Beckman, gevoerde discussie omtrent de vraag of een niet democratisch gekozen instituut de facto regelge- ving kan uitvaardigen.

11. HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7473.

12. ECLI:NL:TACAKN:2014:80.

13. Kamerstuk 19813. Overigens komt aan de kamerstuk- ken bij het uitleggen van de wet wel een rol toe, maar moeten ze met die wet niet gelijkgeschakeld worden. Kamerstukken vormen één van de bronnen die bij wetsinterpretatie gehanteerd kunnen worden.

Hoe precies aan dat 'slechts ter vervreemding' in- vulling te geven is vervolgens de vraag.14 Je kunt dat heel eng lezen (alleen maar om meteen af te stoten), of wat ruimer en praktischer (van plan zijn er op termijn afscheid van te nemen). Daarbij heeft de RJ indicatoren gegeven wanneer wordt voldaan aan het vereiste van 'slechts gehouden ter vervreem- ding'.15 Deze gelden voor alle rechtspersonen. Voor beleggingsentiteiten en participatiemaatschap- pijen in het bijzonder geldt daarbij een ruimere interpretatie van 'slechts gehouden ter vervreem- ding', dan voor rechtspersonen in het algemeen. Dit wordt ingevuld door het hebben van een concrete exit-strategie vanaf het moment van aankoop. Zo- wel Meershoek als wij zijn voorstander van de wat ruimere, meer bij de wensen van de praktijk aan- sluitende interpretatie, maar Meershoek werpt er toch bezwaren tegen op.

In de visie van Meershoek kan de facto voor belan- gen gehouden door een beleggingsentiteit eigenlijk nooit aan het criterium 'slechts ter vervreemding' voldaan worden. Dat lijkt niet goed vol te houden, omdat de uitzondering dan in de praktijk zinledig zou zijn. Het is in de praktijk ook best mogelijk een concrete exit-strategie te formuleren. Aanschurken tegen IFRS, waar die ruimere formulering ook kan, voorkomt daarbij dat er teveel (bovendien onnodi- ge) verschillen in de in Nederland naast elkaar le- vende stelsels ontstaan.

Een tweede argument van de AFM is dat de consoli- datievrijstelling die de RJ voorstelt strijdig zou zijn met het BW. Wij zijn van mening dat van deze strij- digheid geen sprake is en dat er wel een deugdelijke wettelijke basis is om de volgende redenen:

  1. Het ontbreken van de consolidatieplicht was oorspronkelijk geregeld in art. 2:406 lid 1 BW. Later is de consolidatievrijstelling opgenomen in art. 2:407 lid 1 sub c BW als een vrijstelling van de consolidatiekring. De RJ heeft de conso- lidatievrijstelling voor participatiemaatschap- pijen in 2006 geïntroduceerd en toen gekoppeld aan het bestaande art. 2:407 lid 1 sub c BW.
  2. Er kan een beroep worden gedaan op het wet- telijk vereiste inzicht van art. 2:362 lid 1 BW (of aanvullend op de derogerende werking van het inzichtvereiste van art. 2:362 lid 4 BW). Dit geldt voor de echte of zuivere participaties en beleggingsentiteiten waarvoor een concrete exit-strategie bestaat. Consolidatie zal in een

​14. Of dit het meest gelukkig gekozen criterium is, is ook een legitieme vraag.

15. Zie RJ 217.305 waar deze indicatoren zijn benoemd:

  • de maatschappij is geschikt voor onmiddellijke ver- vreemding;
  • er is een verkoopbesluit genomen en er is een ver- koopplan opgesteld;
  • met de uitvoering van het verkoopbesluit en -plan is feitelijk een begin gemaakt;
  • de verkoopprijs is in overeenstemming met de reële waarde; en
  • het is niet te verwachten dat het verkoopplan funda- menteel zal worden gewijzigd of zal worden ingetrok- ken.

Consolidatievrijstelling beleggingsentiteiten:reactie op AFM-reactie

dergelijk geval niet het vereiste inzicht geven, zoals eerder al aangegeven.

Ook wijkt de in RJ-Uiting 2015-4 opgenomen verdui- delijking van de consolidatievrijstelling voor parti- cipatiemaatschappijen en beleggingsentiteiten niet af van hetgeen al sinds 2006 in RJ 217 is opgenomen voor participatiemaatschappijen. RJ-Uiting 2015- 4 geeft alleen een verduidelijking in verband met mogelijke samenloop met RJ 615 'Beleggingsentitei- ten' en stelt hier geen inhoudelijke wijziging van RJ 217 voor.

De verwijzing naar de Europese Commissie en de Europese jaarrekeningrichtlijn kunnen wij even- min plaatsen. Naar ons beste weten heeft de Com- missie zich nooit in die zin uitgelaten (en al hele- maal niet over de Nederlandse wet). Ook de richtlijn bevat bepaald geen verbod op het opnemen van een vrijstelling (dat zou ook op zijn minst genomen bij- zonder zijn nu EU IFRS een dergelijke vrijstelling wel bevat: waarom zou je het op Europees niveau goedvinden en op nationaal niveau verbieden?).

In het stuk waar Meershoek naar verwijst gaat de Europese Commissie bovendien niet in op de situ- atie dat er geen consolidatieplicht is voor een spe- cifieke beleggingsentiteit op basis van de nationale wetgeving (omdat er dan geen sprake is van een mogelijk 'conflicterende wetgeving'; er geldt dan immers geen consolidatieplicht).16

Ook is Nederland niet het enige land binnen de EU/ EER dat een consolidatievrijstelling voor participa- tiemaatschappijen/beleggingsentiteiten kent. Ook Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk kennen die vrijstelling.

2. Begrip deelneming

Het hoofdargument van de AFM is hierboven be- sproken. In ons artikel gingen wij ook nog kort in op een verwijzing van de AFM naar art. 2:24c BW waar de definitie van een deelneming is gegeven.

​16. Daarnaast blijkt dat het document van de Europese Commissie waarnaar AFM verwijst nadere uitleg geeft op een vraag van een lidstaat over (destijds nog: mogelijke) endorsement van IFRS 10 Investment Enti- ties (IE). Dit, omdat sprake leek te zijn van een mogelij- ke onduidelijkheid in de EU-wetgeving: indien sprake zou zijn van een beursgenoteerde beleggingsentiteit die volgens de op de EU-Richtlijn gebaseerde nationa- le wetgeving géén beroep kan doen op een consolida- tievrijstelling, zou dat leiden tot een geconsolideerde jaarrekening. Echter, de geconsolideerde jaarreke- ning van die beursgenoteerde beleggingsentiteit valt onder de IAS-verordening die IFRS 10 voorschrijft en die op basis van IFRS 10.IE juist een consolidatiever- bod kent. Alsdan zou de betreffende beleggingsenti- teit dus niet tegelijkertijd aan nationale wetgeving (verplichting tot consolideren) en de IAS-verordening (verbod tot consolideren) kunnen voldoen. In het betreffende document van de Europese Commissie geeft de Europese Commissie aan dat in zo'n situatie de IAS-verordening voorrang heeft en er om die re- den niet hoeft te worden geconsolideerd door de be- leggingsentiteit.

Wij begrepen die verwijzing niet, omdat beleggin- gen normaliter vrij duidelijk niet aan die definitie voldoen vanwege het ontbreken van duurzame ver- bondenheid ten dienste van de eigen werkzaam- heid.17 Dat criterium van duurzame verbondenheid speelt ook geen rol bij de vraag of er consolidatie- plicht is18 en ook niet bij de vraag of daar vrijstelling van mogelijk is (al zal er wel vaak overlap zijn). Al met al zien wij dus ook nu niet hoe art. 2:24c BW hier van belang zou zijn.19 Meer in het algemeen hebben wij moeite om hier de redenering, alsook de verwijzing naar de Econcern uitspraak van de Ac- countantskamer, te volgen.20

3. Groepsbegrip

Nieuw in de bijdrage van Meershoek is het idee dat beleggingsentiteiten nooit aan het groepsbegrip zouden voldoen, zodat zij per definitie niet zouden hoeven te consolideren (via 2:406 en 2:24b BW). Die gedachte spreekt ons in zoverre wel aan dat de con- solidatie dan meer wordt benaderd vanuit de eco- nomische realiteit, die immers ook bepalend zou moeten zijn voor de vraag of een entiteit groeps- hoofd is of niet.21

De benadering die Meershoek hier bepleit is even- wel niet zonder problemen. De vrijstelling van 2:407 BW ziet op de consolidatiekring, niet op de consolidatieplicht als zodanig. De wetgever heeft dat in 2005 zo veranderd door de consolidatievrij- stelling te verschuiven van een vrijstelling van de consolidatieplicht (2:406 BW) naar een vrijstelling van de consolidatiekring (2:407 BW).22 Als gevolg van deze wetswijziging heeft de RJ in 2006 de con- solidatievrijstelling voor participatiemaatschappij- en geïntroduceerd en gekoppeld aan het bestaande art. 2:407 lid 1 sub c BW. Doel daarvan was te voor-

  1. ​ ​De terminologie is wat verwarrend, maar duurza- me verbondenheid bij het begrip 'deelneming' heeft niet zozeer te maken met de vraag of er een concrete exit-strategie is, maar met de vraag of de bedrijven deel uitmaken van dezelfde onderneming, al zal er bij een (concrete) exit-strategie natuurlijk geen sprake meer zijn van het 'duurzaam' verbonden zijn.
  2. Al zijn daar wel argumenten voor te bedenken.
  3. Het is natuurlijk juist dat van een kapitaalbelang bo- ven 20% niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het als deelneming kwalificeert. Een belegging als zodanig gehouden en voorzien van een concrete exit-strategie zal evenwel door een gebrek aan duur- zame verbondenheid niet kwalificeren als deelne- ming.
  4. In Econcern ging de discussie inderdaad over de vraag of sommige belangen niet als deelneming kwalificeerden, maar het gaat hier niet over het kwa- lificeren als deelneming. Daarvan zal bij beleggin- gen immers sowieso niet snel sprake zijn. ECLI:NL: TACAKN:2014:80.
  5. Zie daarover recent mr. drs. A.N. Krol, 'Groepsbegrip in het kader van consolidatie', TvJ 2015, nr. 6.
  6. Als gevolg van de aanpassing van art. 406 lid 1 en 3 BW (laatste zin); zie wetsvoorstel 29 737, memorie van toelichting p. 3, 15 en 27 (Kamerstukken II 2003/04, 29 737, nr. 3).

komen dat de consolidatieplicht, als gevolg van de uitbreiding in 2005 van de consolidatiekring met SPE's/SPV's, mogelijk ook van toepassing zou wor- den voor participatiemaatschappijen. Hoewel par- ticipaties geen SPE's zijn, zou een te enge uitleg van het begrip consolidatieplicht door de RJ wellicht tot ongewenste diversiteit in de praktijk (hebben) kun- nen leiden. De wetgever heeft bij deze verschuiving naar de vrijstelling van de consolidatiekring, zoals opgenomen in art. 2:407 BW, als voorwaarde opge- nomen het 'slechts gehouden om het te vervreem- den'.23 Daar sluit de RJ bij aan in de inmiddels inge- voerde vrijstelling van RJ 615.

Het nadeel van de benadering van Meershoek, al- thans in het huidige stelsel, is ook dat dan de indruk zou kunnen ontstaan dat bij een beleggingsentiteit of participatiemaatschappij nooit sprake kan zijn van een consolidatieplicht. Dat lijkt een aantrek- kelijke gedachte, maar werkt niet altijd. Indien een beleggingsentiteit of participatiemaatschappij als moedermaatschappij zeggenschap uitoefent over (groeps)maatschappijen (niet zijnde beleggingsen- titeiten) die (bijvoorbeeld als tussenholding) werk- zaamheden verrichten die in het verlengde liggen van de bedrijfsactiviteiten van de moeder, dienen deze maatschappijen wel geconsolideerd te wor- den. Dat geldt in het huidige denken ook indien participaties duurzaam worden gehouden of als niet aan de voorwaarde van een concrete exit-stra- tegie wordt voldaan.

4. Conclusie

De consolidatievrijstelling voor beleggingsentitei- ten past in het wettelijk kader en leidt tot betere verslaggeving. Onze aanbeveling is dat de wetge- ver het achterhaalde groepsbegrip uit de wet haalt en aansluit bij de Europese Jaarrekeningrichtlijn. Wellicht wordt daarbij ook de door Van der Zanden bepleite (her)overweging betrokken.24

Daarnaast bevelen wij de RJ aan om de consolida- tievrijstelling verplicht te stellen (als aan de voor- waarden wordt voldaan (o.a. concrete exit-strate- gie)) en te bepalen dat meerderheidsbelangen in beleggingen tegen reële waarde dienen te worden verwerkt in de jaarrekening van de beleggingsen- titeit. Waardeveranderingen daarvan zouden dan in onze visie direct in de winst- en verliesrekening dienen te worden opgenomen. Deze grondslag zou dan gelden voor alle beleggingen van de beleggings- entiteit. Een en ander zou leiden tot meer uniforme verslaggeving die beter zou aansluiten bij het feit dat het om beleggingen gaat.

© 2021 KPMG N.V., a Dutch limited liability company and a member firm of the KPMG global organization of independent member firms affiliated with KPMG International Limited, a private English company limited by guarantee. All rights reserved.


For more detail about the structure of the KPMG global organization please visit https://home.kpmg/governance.

Neem contact met ons op

 

Wilt u een offerte van ons ontvangen?

 

loading image Offerteaanvraag (RFP)