close
Share with your friends

Teruggaaf van buitenlandse bronbelasting

Teruggaaf van buitenlandse bronbelasting

De deur wordt verder geopend door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Wat betekent dit voor de portfoliobeleggingen van pensioenfondsen?

Karim Hommen

Senior tax manager

KPMG Meijburg & Co

Contact

Gerelateerde content

Germany Frankfurt sculpture of Lady Justice

​Het Hof van Justitie van de Europese Unie ('HvJ EU') heeft op 13 november 2019 in de zaak College Pension Plan of British Columbia ('CCP') geoordeeld dat de inhouding van Duitse bronbelasting over dividenduitkeringen aan het Canadese CCP een ongerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt. Ook heeft de zogenoemde standstill-clausule, waardoor in bepaalde gevallen het vrije verkeer van kapitaal naar niet-EU-landen niet van toepassing is, in dit geval geen werking. Deze uitspraak is van groot belang voor pensioenfondsen met portfoliobeleggingen in EU-landen waarop bronbelasting drukt. In dit artikel wordt ingegaan op deze uitspraak en de mogelijke gevolgen.

Achtergrond uitspraak HvJ EU

De casus die voorlag bij het HvJ EU betrof een verzoek om teruggaaf van betaalde Duitse bronbelasting door CCP. CCP, een Canadees pensioenfonds, ontving in de jaren 2007 tot en met 2010 dividenden uit Duitsland, die onderworpen waren aan bronbelasting.

Bij Duitse pensioenfondsen leidt de ontvangst van een dividend tot een evenredige toename van de voorzieningen ter dekking van (toekomstige) pensioenverplichtingen. Daardoor behaalt een Duits pensioenfonds geen of een minimale belastbare winst. Als gevolg hiervan zijn Duitse pensioenfondsen praktisch vrijgesteld van belasting. Eventueel ingehouden bronbelasting wordt terugbetaald aan de Duitse pensioenfondsen. Deze terugbetaling geldt niet voor buitenlandse pensioenfondsen, waardoor deze fondsen feitelijk worden benadeeld. CCP heeft daarom in 2011 de Duitse belastingautoriteit verzocht om teruggaaf van betaalde Duitse bronbelasting en heeft hierbij een beroep gedaan op de ongelijke behandeling tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen.

Het verzoek van CCP tot vrijstelling en teruggaaf werd afgewezen door de Duitse belastingautoriteiten. In de latere beroepsprocedure hierover is de zaak voorgelegd aan het HvJ EU.

Het oordeel van het HvJ EU

Het HvJ EU merkt in de eerste plaats op dat de Duitse wetgeving leidt tot een volledige of ten minste gedeeltelijke vrijstelling van bronbelasting voor binnenlandse pensioenfondsen. De betaalde bronbelasting kan door binnenlandse pensioenfondsen verrekend worden met hun definitieve aanslag vennootschapsbelasting en het overschot wordt terugbetaald. Dit geldt voor buitenlandse pensioenfondsen niet, waardoor zij minder gunstig behandeld worden dan binnenlandse pensioenfondsen. Dit vormt een beperking van het vrije verkeer van kapitaal.

Het HvJ EU oordeelt dat binnen- en buitenlandse pensioenfondsen zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Volgens het HvJ EU voorziet de Duitse wetgeving in verschillende technieken van belastingheffing, afhankelijk van de vestigingsplaats van de belastingplichtige. Bovendien kan dit verschil tevens leiden tot een volledige vrijstelling van de aan binnenlandse pensioenfondsen uitgekeerde dividenden.

Met betrekking tot de aftrekbaarheid van de dotatie aan technische voorzieningen voor de (toekomstige) pensioenverplichtingen van het pensioenfonds, concludeerde het HvJ EU dat een buitenlands pensioenfonds die de ontvangen dividenden toewijst aan zijn voorzieningen voor pensioenen, hetzij vrijwillig, hetzij uit hoofde van wettelijke voorschriften, zich in een vergelijkbare situatie bevindt als een Duits pensioenfonds.

Uiteindelijk concludeert het HvJ EU dat er geen rechtvaardigingsgronden zijn voor het verschil in behandeling tussen een binnenlands en buitenlands pensioenfonds. Bovendien concludeert het HvJ EU dat de zogenoemde standstill-clausule niet van toepassing is. Deze clausule begrenst het sinds 31 december 1993 bestaande verbod op beperkingen van het kapitaalverkeer naar of uit niet-EU-landen. Het HvJ EU stelt hierbij vast dat de desbetreffende Duitse wetgeving reeds op 31 december 1993 van kracht was, maar sindsdien is gewijzigd. Om die reden mag geen beroep worden gedaan op de standstill-clausule en ontbreekt aldus een rechtvaardiging voor het verschil in behandeling. Overigens is het aan de verwijzende rechter om te bepalen of de invoering in 2002 van wetgeving die betrekking heeft op de specifieke situatie van pensioenfondsen, daadwerkelijk heeft geleid tot een minder gunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak is van groot belang voor pensioenfondsen met portfoliobeleggingen in EU-landen waarop bronbelasting drukt. In de praktijk stellen diverse buitenlandse belastingautoriteiten strenge eisen aan buitenlandse pensioenfondsen voor de teruggaaf van bronbelasting. Dit werpt een drempel op voor pensioenfondsen om bronbelasting terug te vragen in het buitenland, waardoor de ingehouden bronbelasting een additionele kostenpost vormt. Het HvJ EU zet met deze uitspraak een belangrijke stap naar een gelijke behandeling tussen buitenlandse en binnenlandse pensioenfondsen. Het is raadzaam om na te gaan of uw pensioenfonds binnen de EU tegen bronheffing over investeringen aanloopt. Met deze uitspraak in de hand kan deze bronbelasting mogelijk worden teruggevraagd.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, neem dan contact op met Rian Waaijer, Jeroen Bruggeman of Karim Hommen

© 2020 KPMG N.V., a Dutch limited liability company and a member firm of the KPMG global organization of independent member firms affiliated with KPMG International Limited, a private English company limited by guarantee. All rights reserved.


For more detail about the structure of the KPMG global organization please visit https://home.kpmg/governance.

Neem contact met ons op

 

Wilt u een offerte van ons ontvangen?

 

loading image Offerteaanvraag (RFP)