Een btw-vrij pensioenbeheer voor alle pensioenfondsen - KPMG Nederland
close
Share with your friends

Principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel: een stap naar btw-vrij pensioenbeheer voor alle pensioenfondsen

Een btw-vrij pensioenbeheer voor alle pensioenfondsen

De btw heeft een kostprijsverhogende werking voor pensioenfondsen. Dit komt doordat pensioenfondsen de btw op kosten slechts voor een beperkt deel in aftrek kunnen brengen, omdat zij grotendeels btw-vrijgestelde activiteiten verrichten en de kosten die een pensioenfonds maakt niet altijd van btw zijn vrijgesteld. Voor de meeste Nederlandse pensioenfondsen zijn de ingekochte pensioenbeheerdiensten momenteel dan ook belast met 21% Nederlandse btw, tenzij het pensioenfonds een Defined Contribution-regeling ('DC-regeling') uitvoert. In dat geval is de ingekochte pensioenbeheerdienstverlening vrijgesteld van btw.

Gerelateerde content

A man playing around the net

De btw-behandeling van pensioenbeheer

Tot en met 2014 was de Belastingdienst van mening dat een pensioenfonds überhaupt niet onder de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijk beleggingsfondsen kon vallen, omdat het niet kwalificeert als een gemeenschappelijk beleggingsfonds ex artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, Wet op de omzetbelasting 1968.[1] Dit leek te worden bevestigd in het arrest van het Europese Hof van Justitie ('HvJ') in de zaak Wheels.[2] Hiermee leek de opening naar een vrijstelling voor het pensioenbeheer van een pensioenfonds gesloten. Echter, op 13 maart 2014 oordeelde het HvJ in de zaak ATP PensionService dat een pensioenfonds wel degelijk kan kwalificeren als gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van de btw-vrijstelling.[3] In deze zaak ging het om een Deens pensioenfonds dat voldeed aan de volgende vereisten:

  • Het fonds moet worden gefinancierd door meerdere deelnemers; 
  • De inleg moet worden belegd volgens het beginsel van risicospreiding; en 
  • Het beleggingsrisico moet worden gedragen door de deelnemers.

Naar aanleiding van het HvJ-arrest ATP PensionService heeft de staatssecretaris van Financiën zijn visie uiteengezet met betrekking tot de gevolgen van het arrest voor Nederlandse pensioenfondsen.[4] Kort gezegd, komt het erop neer dat het pensioenbeheer van pensioenfondsen die een Defined Benefit-regeling ('DB-regeling') uitvoeren, niet valt onder de btw-vrijstelling, terwijl het pensioenbeheer van pensioenfondsen die een DC-regeling uitvoeren, wel onder de btw-vrijstelling valt. Dat laatste geldt ook voor premiepensioeninstellingen ('PPI's'). De reden hiervoor is dat de pensioendeelnemers bij DC-regelingen en PPI's volgens de staatssecretaris van Financiën een voldoende mate van beleggingsrisico lopen. Bij dergelijke pensioenfondsen is de hoogte van de pensioenuitkering niet vooraf bepaald en/of gemaximeerd. Hiermee zijn pensioenfondsen die DC-regelingen uitvoeren en PPI's naar zijn idee (voldoende) vergelijkbaar met instellingen die onder de 'instellingen voor collectieve belegging in effecten'-richtlijn ('icbe-richtlijn') vallen.[5] Icbe's kwalificeren voor de btw in ieder geval als gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Noemenswaardig in dit kader is dat het HvJ in het arrest Fiscale Eenheid X een additionele voorwaarde heeft geformuleerd om te kwalificeren als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van de btw-vrijstelling:

  • Het fonds moet zijn onderworpen aan bijzonder overheidstoezicht.[6]

Deze voorwaarde geldt in principe sinds de invoering van de btw-vrijstelling, maar is in ieder geval sinds 9 december 2015 (datum van de uitspraak van het HvJ) als expliciete vierde voorwaarde toegevoegd aan de 'checklist' om als gemeenschappelijk beleggingsfonds te kwalificeren. Wat bijzonder overheidstoezicht precies inhoudt, heeft het HvJ niet aangegeven. De lidstaten van de Europese Unie dienen deze voorwaarde wel toe te passen om de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen toe te staan. In dat kader heeft de staatssecretaris van Financiën in Nederland (pas) op 1 april 2019 het Besluit bijzonder overheidstoezicht gepubliceerd, dat in werking is getreden per 2 april 2019.[7] Het Besluit bijzonder overheidstoezicht vermeldt dat pensioenfondsen en PPI's op grond van de Pensioenwet en de Wet financieel toezicht onder zowel prudentieel toezicht van De Nederlandsche Bank als onder gedragstoezicht van de Autoriteit Financiële Markten staan en dat dit toezicht als bijzonder overheidstoezicht kwalificeert. Hiermee is duidelijk dat alle Nederlandse pensioenfondsen dus onderhevig zijn aan de bijzonder overheidstoezicht-voorwaarde.

Lopende bezwaren en gerechtelijke procedures

Eind 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een bedrijfstakpensioenfonds in de sector zorg en welzijn niet kwalificeert als een gemeenschappelijk beleggingsfonds voor wat betreft de btw.[8] Volgens de Hoge Raad is het risico dat de pensioendeelnemers dragen bij de beleggingen van het pensioenfonds en de doorwerking van het resultaat daarvan in de hoogte van hun pensioenuitkering, niet van voldoende betekenis en daarmee niet vergelijkbaar met het beleggingsrisico dat deelnemers van een icbe lopen.

Evident is echter dat deelnemers van pensioenfondsen beleggingsrisico lopen. Dit geldt ongeacht de pensioenregeling die een pensioenfonds heeft. Het rendement van de beleggingen is cruciaal voor het pensioen dat deelnemers opbouwen en uiteindelijk uitgekeerd krijgen. Een positief beleggingsrendement komt ten goede van de deelnemers, terwijl een negatief beleggingsrendement ten laste van de deelnemers komt. Het pensioen van deelnemers wordt bovendien voor het overgrote deel gevormd door het beleggingsrendement en slechts voor een kleiner deel door de ingelegde premies. Het ATP-arrest biedt Nederlandse pensioenfondsen de ruimte om aangemerkt te worden als gemeenschappelijke beleggingsfondsen en daarmee ruimte voor toepassing van de btw-vrijstelling op pensioenbeheer.

Veel Nederlandse pensioenfondsen strijden hiervoor. Naar aanleiding van de visie van de staatssecretaris van Financiën en bovengenoemd Hoge Raad-arrest hebben zij bezwaar aangetekend bij de Belastingdienst. Een aantal pensioenfondsen is inmiddels al bij de rechter beland. De kern van deze bezwaar- en beroepsprocedures betreft de vraag of de deelnemers van de bewuste pensioenfondsen beleggingsrisico lopen. Werkgevers die betrokken waren bij het pensioenfonds in de sector zorg en welzijn hadden een bijstortverplichting in geval van tekorten. Tegenwoordig kennen pensioenfondsen een dergelijke bijstortverplichting niet (meer). Het Hoge Raad-arrest is dan ook niet richtinggevend voor de huidige situatie van Nederlandse pensioenfondsen.

Begin dit jaar heeft rechtbank Noord-Holland geoordeeld over een bedrijfstakpensioenfonds.[9] De rechtbank komt in vrij summiere bewoordingen tot dezelfde uitkomst als de Hoge Raad, ondanks het feit dat de pensioenregeling in ieder geval op het punt van de bijstortverplichting van de werkgevers afwijkt van de situatie in het Hoge Raad-arrest. De rechtbank meent dat de deelnemers aan het pensioenfonds niet in voldoende mate beleggingsrisico lopen. De enige voorwaarde die het Europese HvJ in het ATP-arrest stelt, is evenwel of beleggingsrisico wordt gelopen door de deelnemers. Dat is evident het geval. Er is dan ook hoger beroep aangetekend door het pensioenfonds. Wij verwachten dat er de komende tijd meer gerechtelijke uitspraken zullen verschijnen op dit gebied. Hopelijk zijn rechters bereid om in te zien dat deelnemers aan Nederlandse pensioenfondsen beleggingsrisico lopen, en ook in voldoende mate.

Principeakkoord: robuuster en persoonlijker pensioenstelsel

"Ons pensioenstelsel is dringend aan vernieuwing toe".[10] Dat geeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan in het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel. Deze vernieuwingen houden volgens het principeakkoord onder andere in dat de AOW-leeftijd minder hard zal stijgen, er meer keuzemogelijkheid komt én een hogere stijging (of daling) van pensioenuitkeringen. Dit leidt allemaal tot meer risico. Vanuit een btw-oogpunt betekent meer risico voor de pensioendeelnemers, meer kans op een btw-vrijstelling op het pensioenbeheer. Zoals hierboven benoemd, valt het pensioenbeheer van DB-regelingen niet onder de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen omdat de pensioendeelnemers volgens de Belastingdienst niet voldoende beleggingsrisico lopen; het betreffen uitkeringsovereenkomsten waarbij de uitkering in mindere mate afhankelijk is van het beleggingsresultaat van het pensioenfonds. Naar onze mening is het evenwel evident dat een pensioendeelnemer met een DB-regeling wel degelijk risico loopt, omdat er door het pensioenfonds ook gekort kan worden; de uitkering staat echter wel in zekere mate vast. Als het principeakkoord wordt goedgekeurd, betekent dit dat een dergelijke 'harde' uitkeringsovereenkomst niet meer mogelijk is in de toekomst. De uitkeringsovereenkomsten zullen meer richting premieovereenkomsten / DC-regelingen gaan. Volgens de staatssecretaris van Financiën voldoen pensioenfondsen die een premieregeling / DC-regeling voeren aan de voorwaarden om aangemerkt te kunnen worden als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van de btw.

Dat de uitkeringsovereenkomsten zullen verdwijnen bij de vernieuwing van het Nederlandse pensioenstelsel is ook CDA-Kamerlid Omtzigt opgevallen. Tijdens het Eurogroep / Ecofinraad-debat op 5 juni 2019 heeft de heer Omtzigt aan de staatssecretaris van Financiën voorgelegd of het zo is dat onder het nieuwe pensioencontract, pensioenfondsen eerder als een DC-regeling zijn te bestempelen en daarmee kwalificeren als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. De staatssecretaris van Financiën toont begrip voor deze visie, maar stelt dat het nog te vroeg is om op basis van de eerste signalen al conclusies te trekken. Naar wij menen, is de conclusie dat Nederlandse pensioenfondsen met het principeakkoord zeker kwalificeren als gemeenschappelijke beleggingsfondsen voor de btw, de enige juiste conclusie.

Btw-vrij pensioenbeheer komt dus dichterbij, maar de strijd is nog niet gestreden aangaande het pensioenbeheer met betrekking tot de huidige pensioenovereenkomsten. Het is afwachten hoe de lopende gerechtelijke procedures van Nederlandse pensioenfondsen gaan uitpakken.

Wilt u meer informatie, neem dan contact op met Gert-Jan van Norden en/of met Ugurcan Boy.

Footnotes

[1] Artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, Wet op de omzetbelasting 1968 is de Nederlandse uitlegging van artikel 135, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn.

[2] HvJ EU 7 maart 2013, nr. C-424/11 (Wheels), V-N 2013/28.17.

[3] HvJ EU 13 maart 2014, nr. C-464/12 (ATP), BNB 2014/207.

[4] Brief van de staatssecretaris van Financiën van 19 september 2014, nr. DGB/2014/5116, V-N 2014/52.14.

[5] Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's).

[6] HvJ EU 9 december 2015, nr. C-595/13 (Fiscale Eenheid X), BNB 2016/45.

[7] Besluit van 22 maart 2019, nr. 2019-42405, Stcrt. 2019, nr. 17208.

[8] HR 9 december 2016, nr. 15/00148, BNB 2017/52.

[9] Rechtbank Noord-Holland 28 februari 2019, nr. HAA 16/1628.

[10] Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juni 2019, nr. 2019-000009898.

Neem contact met ons op

 

Wilt u een offerte van ons ontvangen?

 

Offerteaanvraag (RFP)