Discussie rekenrente Pensioenfondsen geeft geen inzicht - KPMG Nederland
close
Share with your friends

Hoe pensioenfondsen (moeten) rekenen

Discussie rekenrente Pensioenfondsen geeft geen inzicht

Veel reacties in de discussie over de rekenrente van Pensioenfondsen zijn gericht op het beïnvloeden van de uitkomsten en niet op het geven van inzicht.

Wim Teeuwissen

Head of Pensions Audit

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

Pebble Balancing

De discussie over rekenrente bij pensioenfondsen wordt bijna dagelijks gevoerd via verschillende media: de Nederlandse polderaars vallen over elkaar heen om hun standpunten te benadrukken. Maar veel reacties zijn gericht op het beïnvloeden van de uitkomsten en niet op het geven van inzicht.

De onderstaande beschouwing tracht meer inzicht te geven in de essentie van de discussie.

Marktwaarde in de balans van een pensioenfonds

Pensioen is geld opzij zetten voor later en nu al een toezegging doen over de toekomstige uitkering. Maar hoe hard is deze toezegging?

Om hier inzicht in te krijgen, werkt het verhelderend om een beeld te vormen van de balans van een pensioenfonds. Ik schets de volgende balans, waarbij het totaal van de beleggingen (EUR 1.000) hoger is dan het totaal van de pensioenverplichtingen (EUR 950) waardoor het pensioenfonds een eigen vermogen heeft van EUR 50.

Balans Pensioenfonds Ultimo Boekjaar

De beleggingen zijn gewaardeerd tegen marktwaarde. Hierbij zijn alle (verwachte) toekomstige opbrengsten (rente, dividend, etc.) verdisconteerd tegen marktverwachtingen van marktpartijen. Veelal komt deze marktwaarde tot stand op basis van daadwerkelijke vraag en aanbod in de markt. Maar de marktwaarde kan ook worden bepaald aan de hand van andere waarneembare marktvariabelen en modellen.

De pensioenverplichtingen zijn ook gewaardeerd tegen marktwaarde. Hierbij worden verwachte toekomstige uitkeringen contant gemaakt tegen een rekenrente: de zogenaamde rentetermijnstructuur (RTS) die door DNB wordt gepubliceerd. Deze RTS is gebaseerd op een risicovrije rentestructuur (die ook waarneembaar is in de markt) waarop een correctie wordt toegepast: de Ultimate Forward Rate (UFR). Hierover later meer.

In het gestileerde voorbeeld bedragen de toekomstige nominale pensioenuitkeringen voor de komende jaren totaal EUR 1.200; omdat men nog rekening mag houden met toekomstige rendementen (op de beleggingen) worden deze verplichtingen 'contant gemaakt'. In dit voorbeeld is gerekend met een gemiddelde rekenrente (RTS) van 2%, waardoor de marktwaarde van de pensioenverplichtingen op balansdatum EUR 950 bedraagt.

Het eigen vermogen is indicatief voor de zogenaamde dekkingsgraad. De dekkingsgraad van een pensioenfonds geeft aan of er genoeg geld is om de opgebouwde pensioenen nu en in de toekomst te betalen. Als de dekkingsgraad 100% is, is de (waarde van de) bezittingen van het fonds precies gelijk aan de (waarde van de) pensioenverplichtingen.

De dekkingsgraad (per balansdatum) wordt berekend door de beleggingen te delen door de pensioenverplichtingen. In dit voorbeeld is dat: 1.000 / 950 = 105%.

Veren of lood?

Een bekende vraag die we allemaal wel eens in onze jeugd hebben gehoord, is: "Wat is zwaarder, een kilo veren of een kilo lood?"

Vanzelfsprekend is dit even zwaar. Maar toch heeft menigeen hier even over moeten nadenken.

Ditzelfde doet zich thans voor mij de marktwaarde van beleggingen: Wat is meer waard: aandelen met een marktwaarde van EUR 1.000, of risicovrije obligaties met een marktwaarde van EUR 1.000?

In beide bedragen zijn risico's en verwachte rendementen verdisconteerd. Dus als men een hoger rendement op de aandelen verwacht, zit hier ook een risico aan vast en is dit meegenomen in de marktwaardering die uitkomt op EUR 1.000. Dus is het allebei evenveel waard.

Voor de beleggingen is dit nog te begrijpen. Maar hoe pas je dit toe voor pensioenverplichtingen?

Om onzekerheden in de uitkomsten in de waardering van de pensioenverplichtingen zo veel mogelijk te elimineren, wordt bij de berekening van de contante waarde van de toekomstige kasstromen (de pensioenuitkeringen) rekening gehouden met een te behalen 'risicovrij rendement'. Hiervoor maakt het dus niet uit hoe de beleggingen verdeeld zijn over de verschillende beleggingscategorieën. Dat is immers de 'debet'-kant die al op marktwaarde staat gewaardeerd. Het gaat in de discussie om de 'creditzijde' van de balans, waar de pensioenverplichtingen moeten worden gewaardeerd. Hoe hoger het risico dat hierbij wordt ingerekend (en dus hoe hoger de rekenrente wordt vastgesteld) des te hoger is ook de onzekerheid van de uitkomsten.

Pensioenfondsen zijn rijker dan ooit

In publicaties tuimelt men over elkaar heen om aan te geven dat pensioenfondsen nog nooit zo rijk zijn geweest als nu: "Het geld spuit eruit" en "De beleggingen van de Nederlandse pensioenfondsen hebben een gezamenlijke marktwaarde van meer dan EUR 1.400 miljard."

Dat mag allemaal waar zijn, maar bij dit soort stellingen benoemt men niet wat de waarde van de pensioenverplichtingen is.

Een tweede punt dat vaak onderbelicht blijft, is dat de waarde van de beleggingen ook sterk is gestegen doordat de rente is gedaald. Dit is het meest duidelijk bij de vastrentende waarden (bijvoorbeeld obligaties). Als men in het verleden een 3%-obligatie heeft gekocht voor EUR 100 en de marktrente daalt, dan stijgt de waarde van deze obligatie. Maar ook de aandelen kunnen in waarde stijgen omdat beleggers, door de dalende rente, meer in aandelen willen beleggen en de vraag naar de aandelen stijgt (waardoor hun prijs ook stijgt). Al deze effecten zijn verdisconteerd in de marktwaarde van de beleggingen. Maar als je met deze effecten aan de debetkant rekening houdt, moet je dat ook aan de creditkant doen.

Als je inzicht wilt krijgen in de vermogenspositie van een pensioenfonds, dan moet je goed kijken naar de samenhang van risico's aan de debet- en creditzijde van de balans. In de jaarverslaggeving van pensioenfondsen is hier veel aandacht voor door uitgebreide toelichtingen in de jaarrekening.

Als iemand een huis koopt van EUR 300.000 en hij leent hiervoor geld van de bank, dan is het niet zo dat hij meer vermogen heeft doordat zijn bezittingen zijn toegenomen: zijn eigen vermogen is hetzelfde gebleven. Als de waarde van zijn huis stijgt, wordt hij wel rijker (op papier) als zijn hypotheekverplichting (aan de bank) niet in waarde stijgt (omdat deze verplichting een vast bedrag blijft).

Maar bij pensioenfondsen is dat anders: de verplichting aan de deelnemers is geen vaste (nominale) verplichting. De waarde van deze verplichting verandert op basis van de ontwikkeling in de markt (rente). Hierbij is de rekenrente (RTS) cruciaal. Hoe lager deze rekenrente, hoe hoger de huidige contante waarde van de aan te houden verplichtingen.

Als in het voorbeeld met een gemiddelde rente gerekend zou worden van 1%, dan stijgt de waarde van de pensioenverplichtingen (met een nominale waarde van EUR 1.200) van EUR 950 naar EUR 1.050.

Balans

De dekkingsgraad (per balansdatum) wordt dan: 1.000 / 1.050 = 95%.

Toekomstige rendementen

In discussies over de rekenrente wordt vaak de vraag gesteld waarom er geen rekening mag worden gehouden met een hogere rekenrente omdat de toekomstige opbrengst van de beleggingen (het beleggingsrendement) toch hoger zal zijn dan de RTS.

Los van het feit dat hieromtrent in het verleden afspraken zijn gemaakt door de polderaars (in goede tijden), is hier een aantal zaken tegenin te brengen. De hogere toekomstige opbrengsten van beleggingen zijn al verdisconteerd in de waarde van de beleggingen ('debetzijde' van de balans) en het is absoluut niet zeker dat in de toekomst een extra rendement wordt behaald op de middelen die nu zijn vastgelegd in de huidige beleggingen.

Daarbij komt dat er bewust is gekozen voor een langjarig 'risicovrij rendement' voor de waardering van de pensioenverplichtingen om te voorkomen dat op basis van werkelijke rendementscijfers de pensioenverplichtingen op 'dagkoersen' berekend zouden moeten worden, waarbij je het ene moment zou kunnen indexeren en het andere moment direct zou moeten korten. Minder risico leidt tot meer zekerheid ten aanzien van de uitkomsten en meer stabiliteit voor deelnemers.

Is de RTS nog wel goed?

Zoals gezegd is de RTS – die periodiek wordt gepubliceerd door DNB en waarmee de pensioenfondsen de waarde van hun pensioenverplichtingen berekenen – gebaseerd op een risicovrije rentestructuur waarop een UFR-correctie wordt toegepast.

Deze UFR-correctie was voorheen gebaseerd op twee belangrijke aannames, namelijk dat er geen betrouwbare marktgegevens beschikbaar zijn voor looptijden langer dan 20 jaar en op een verwachte toekomstige stijging van de rente. De Advies Commissie Parameters (met de heer Dijsselbloem als voorzitter) heeft nu een advies uitgebracht waarbij wordt aangegeven dat de UFR-correctie lager moet zijn aangezien er inmiddels ook objectief waarneembare marktinformatie beschikbaar is voor looptijden tot 30 jaar en omdat de verwachte toekomstige stijging van de rente lager is.

Uitgaande van objectieve marktwaardering leidt dit tot een lagere rekenrente die toegepast zal moeten worden bij de waardering van pensioenverplichtingen.

Een nog niet beantwoorde vraag hierbij is, wat het moment is dat deze inzichten zouden moeten worden doorgevoerd en hoe de deelnemers in de tussenliggende periode worden geïnformeerd over de verwachte effecten.

Er is nog iets aan de hand...

Achteraf kan worden beargumenteerd dat in het verleden met te hoge verwachte beleggingsopbrengsten is gerekend in de premiestelling, waardoor premies te laag waren.

Op basis van de totale populatie aan pensioenfondsen worden de pensioenuitkeringen voor circa 30% gefinancierd uit premies. Het restant moet komen uit beleggingsopbrengsten. Als deze beleggingsopbrengsten lager zijn of worden, dan hadden de premies dus hoger moeten zijn om dezelfde uitkeringen te kunnen doen. En als er geen premie meer kan worden geheven, moeten de aanspraken (uitkeringen) dus worden verlaagd.

Risico's in de waardering van pensioenverplichtingen en financiering van pensioenfondsen worden verder versterkt door het 'langer leven'-effect. Het is al vaker gezegd dat het mooi is dat de huidige levensverwachting van deelnemers hoger is dan 40 jaar geleden. Maar ook hiervoor is in het verleden te weinig premie betaald.

Als iemand van zijn 25e tot zijn 65e, dus gedurende 40 jaar, een pensioen opbouwde van 70% van zijn salaris, dat wordt uitgekeerd vanaf 65-jarige leeftijd, was er in de (actuariële) berekening van de premie rekening gehouden met een uitkeringsperiode van circa 10 jaar. Als de gemiddelde deelnemer na zijn 65e met de huidige inzichten 15 jaar blijft leven en in die jaren dezelfde pensioenuitkering ontvangt, is er dus ook te weinig premie betaald en zit er te weinig in kas bij pensioenfondsen.

Het effect van de stijging van de levensverwachting is een beetje ondergesneeuwd door de discussie rondom de rekenrente. Maar het totale effect van deze stijging van de levensverwachting in de afgelopen decennia is circa 10% op de pensioenverplichtingen. Dit betekent dat, los van de effecten van de rekenrente, de gemiddelde dekkingsgraad van pensioenfondsen alleen hierdoor al met circa 10% is gedaald, wat een belangrijke oorzaak is van de huidige dekkingstekorten bij pensioenfondsen.

Conclusie

De rente waartegen pensioenverplichtingen contant moeten worden gemaakt is gebaseerd op afspraken die in het verleden tussen de wetgever (politiek) en de sector zijn gemaakt om zo veel mogelijk onzekerheid ('risico') te voorkomen, en is dus gebaseerd op een risicovrij rendement. Dit loslaten (door de rente te verhogen) zou resulteren in meer risico's, waardoor de kans toeneemt op een (ongewenste) inkomensherverdeling: van jong naar oud of van oud naar jong. Een eventuele inkomensherverdeling is de taak van de wetgever (politiek) en zou niet via pensioenfondsen moeten plaatsvinden.

Meer informatie

Wilt u meer weten over de discussie omtrent de rekenrente van Pensioenfondsen? Of wat KPMG voor uw organisatie kan betekenen? Neem dan contact op met Wim Teeuwissen, Head of Pensions Audit.

Neem contact met ons op

 

Wilt u een offerte van ons ontvangen?

 

Offerteaanvraag (RFP)