LIBOR-alert #2 - KPMG Nederland
close
Share with your friends

LIBOR-alert #2

LIBOR-alert #2

Vanaf 2020 verdwijnt een aantal toonaangevende rentebenchmarks. De beschikbaarheid van geschikte nieuwe rentebenchmarks is nog onzeker en de impact van deze transitie op financiële instellingen is enorm.

Lennart Cattel

Partner

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

LIBOR-alert 2

In vervolg op onze eerdere Alert besteden wij in deze alert aandacht aan recente ontwikkelingen omtrent de verlenging van de transitieperiode van de EU Benchmark Regulation, het beëindigen van een aantal EURIBOR-termijnen en het recente FSB voortgangsrapport.

Mogelijke verlenging transitie EONIA en EURIBOR

Het Europese Parlement heeft op 13 december 2018 het voorstel goedgekeurd voor de verlenging van de EU Benchmark Regulation (BMR)-transitieperiode voor kritische benchmarks met twee jaar. Onder de BMR mogen benchmarks die niet compliant zijn met de BMR vanaf 1 januari 2020 niet meer gebruikt worden. Het European Money Market Institute (EMMI), de administrator van EONIA en EURIBOR, heeft aangegeven da EONIA niet compliant wordt gemaakt met de BMR en dat EURIBOR wordt hervormd. De eerste publicatie van ESTER als vervanger van EONIA wordt pas verwacht in oktober 2019, terwijl de tijdslijn voor goedkeuring van de hervormde EURIBOR voor eind 2019 krap is. Vanuit de industrie zijn er daarom signalen van bezorgdheid geweest dat de beperkte overlap tussen EONIA en ESTER en de krappe tijdslijnen voor hervorming van EURIBOR een risico is voor het financiële systeem. De Working Group on Euro Risk-free Rates (‘EU RFR Working Group’) heeft in september gevraagd om een verlenging van de BMR-transitieperiode voor kritische benchmarks met ten minste twee jaar. In november sloten vier marktorganisaties, waaronder de ISDA zich aan bij dit verzoek. Het door het Europees Parlement goedgekeurde voorstel ligt nu bij de Europese Raad ter goedkeuring.

EU RFR Working Group consultaties

In december 2018 heeft de EU RFR Working Group twee consultaties gepubliceerd. In de eerste consultatie vraagt de werkgroep feedback op een transitieplan van EONIA naar ESTER. De werkgroep schetst hiervoor vier alternatieven. Onderde eerste twee alternatieven hebben marktpartijen hebben de keuze om lopende EONIA contracten af te laten lopen of aan te passen naar ESTER. Met het oog op het verdwijnen van EONIA na de transitieperiode van de BMR, vindt de werkgroep deze twee alternatieven risicovol. Het derde alternatief is het in één keer overgegaan van EONIA naar ESTER. Voor deze ‘big bang approach’ benadrukt de werkgroep het belang van juiste wetgeving en transitiemechanismes om adequaat om te kunnen gaan met de spread tussen beide rates. De werkgroep heeft zelf de voorkeur voor een vierde alternatief waarin EONIA tijdelijk gepubliceerd wordt als ESTER plus een vaste spread. De werkgroep is van mening dat deze laatste aanpak zorgt voor een stabiele overgang naar ESTER.

De tweede consultatie gaat over verschillende varianten voor het berekenen van de ESTER-termijnstructuur als fallback voor de EURIBOR termijnstructuur. In de consultatie beschrijft de werkgroep vier methodieken voor een forward-looking termijnstructuur. Deze methodieken zijn gebaseerd op transacties op de nog te ontwikkelen ESTER-derivatenmarkt. De werkgroep onderstreept het belang van forward-looking rates voor cashflow forecasting en het beheersen van renterisico’s. De werkgroep presenteert drie verschillende methodieken op basis van Overnight Index Swap (OIS) markten (op basis van transacties, quotes of een hybride vorm) en één methodiek op basis van ESTER futures. De meerderheid van de werkgroep heeft voorkeur voor een methodiek op basis van OIS quotes, desalniettemin ziet de werkgroep ook mogelijkheden voor de futures methodiek wanneer de ESTER future markt voldoende ontwikkeld is.

De werkgroep spreekt in beide publicaties een voorkeur uit en vraagt de industrie om feedback. De consultaties sluiten op 1 februari 2019. Op basis van de uitkomsten van deze publicaties is de werkgroep voornemens haar aanbevelingen in de lente van dit jaar te presenteren.

 

Beëindiging EURIBOR-termijnen

Per 3 december 2018 is het EMMI gestopt met het publiceren van het 2-weeks, 2-maands en 9-maands EURIBOR-tarief. Een verplichting van de BMR is dat benchmarkadministratoren minimaal jaarlijks moeten reviewen of de door hen geadministreerde benchmarks nog de economische realiteit van de benchmark weerspiegelen. In deze context heeft het EMMI eerder in het jaar een consultatie geïnitieerd met daarin het voorstel tot beëindiging van deze drie EURIBOR-termijnen, vanwege de beperkte activiteit in de onderliggende markten van deze termijnen en het beperkte gebruik van deze termijnen in financiële instrumenten. Het merendeel van de respondenten op de consultatie was het eens met het voorstel van het EMMI. Op 6 juni heeft het EMMI zijn besluit gepubliceerd. Na de eerdere beëindiging van een aantal EURIBOR-termijnen in november 2013 blijven er van de oorspronkelijke vijftien EURIBOR-termijnen sinds 3 december nog slechts zes termijnen over.

FSB voortgangsrapport

De FSB heeft in 2014 zijn voorstel tot hervorming van rentebenchmarks gepubliceerd en publiceert sindsdien jaarlijks een voortgangsrapport over deze hervorming. In het rapport van 14 november 2018 constateert de FSB dat sinds het vorige voortgangsrapport uit 2017 bestaande rentebenchmarks, zoals de LIBOR, EURIBOR en TIBOR, verbeterd zijn. Ondanks deze verbeteringen ziet de FSB de LIBOR niet als duurzame oplossing en moedigt de FSB de transitie van LIBOR naar alternatieve risk-free rates aan.

De FSB merkt op dat er risico’s kleven aan het feit dat belangrijke IBORs op verschillende momenten wegvallen. Voor bijvoorbeeld LIBOR is dat moment begin 2022, omdat de panelbanken vanaf dat moment geen data meer hoeven aan te leveren voor LIBOR. Dit moment is voor de EONIA, indien de transitie niet verlengd wordt, vanaf begin 2020. Dit kan resulteren in het feit dat in de ene situatie de alternatieve rentebenchmark direct dominant wordt, terwijl in andere situaties de bestaande rentebenchmark langer dominant kan blijven. Daarnaast brengt het gebruik van verschillende rentecurves door de uiteenlopende onderliggende dynamiek, data en berekenmethodes een basisrisico met zich mee. Om dit risico te beperken, benadrukt de FSB het belang van internationale coördinatie en samenwerking.

Wereldwijd loopt de hervorming van bestaande referentierentes parallel aan de ontwikkeling van alternatieve risk-free rates. De FSB omschrijft in het rapport drie verschillende situaties. Als eerste zijn er landen met de focus op hervorming van bestaande benchmarks, zoals Singapore waar vanaf halverwege 2019 een vernieuwde methodologie van de SIBOR van kracht wordt. Daarnaast zijn er landen waar een transitie van bestaande naar nieuwe benchmarks noodzakelijk is, waaronder de landen waar de LIBOR wegvalt. Ten slotte zijn er landen waar wordt gekozen voor een duale aanpak. In deze landen wordt een nieuwe alternatieve referentierente ontwikkeld en blijven de bestaande referentierentes ook bestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor Australië, Brazilië, Canada en Japan.

De FSB prijst het werk van de ISDA, werkgroepen, FSB member authorities en handelsorganisaties op het gebied van fallback-provisies in derivatencontracten (voor meer informatie zie onze vorige LIBOR Alert). Maar de FSB merkt daarnaast terecht op dat deze provisies ook nodig zijn buiten de derivatenmarkten. Dit geldt ook voor cash products (syndicated loans), bonds en hypotheken.

Dit is een navolging op LIBOR Alert #1 waarin wij aandacht besteden aan de ontwikkelingen vanuit de ISDA- en SONIA-consultatie, SOFR swap clearing en de ICE data portal.

Neem contact met ons op

 

Wilt u een offerte van ons ontvangen?

 

Offerteaanvraag (RFP)