Pensioenregelingen moeten aan een reeks fiscale voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor belastingvrije opbouw. Het venijn zit daarbij in de details, vooral als het gaat om de overgangsregelingen en compensatieregelingen uit het Pensioenakkoord. Een klein foutje kan grote (en dure) gevolgen hebben. 

Jan Stigter, Yvette Timmermans, Floor Kuijer

Sociale partners, pensioenfondsen en pensioenuitvoeringsorganisaties (PUO's) buigen zich de komende jaren - in het kader van het Pensioenakkoord en de Wet toekomst pensioenen - over nieuwe pensioenregelingen voor hun deelnemers en (ex-)werknemers. Hoe gaan die eruit zien? Alle stakeholders hebben zo hun wensen en op veel gebieden zullen (complexe) compromissen gesloten worden. Op sommige terreinen zijn de prioriteiten echter onomstreden en dat geldt zeker voor de eis dat een nieuwe regeling moet (blijven) voldoen aan de voorwaarden van de omkeerregel. Alleen als aan die voorwaarden wordt voldaan, kan het pensioen belastingvrij worden opgebouwd. 

Een omvangrijke set gedetailleerde regels in de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt de voorwaarden waaronder werknemerspremies aftrekbaar zijn en werkgeverspremies onbelast. Zo moet bijvoorbeeld sprake zijn van een afkoopverbod, moet een veilige uitvoering zijn gewaarborgd en is vastgelegd welke soorten pensioen opgebouwd kunnen worden en hoe hoog het pensioen kan zijn. In dat kader zijn er gedetailleerde voorschriften over onder meer opbouwpercentages en definities van loon, diensttijd en andere relevante begrippen. 

Onder de Wet toekomst pensioenen blijven de gedetailleerde fiscale regels bestaan, echter op een iets andere manier. In de toekomst wordt in principe de omvang van de pensioenpremie gemaximeerd (tot 30%). Al hoewel het dan op het eerste gezicht misschien fiscaal eenvoudiger lijkt te worden, komt vervolgens de vraag op wat er wel uit die premie betaald mag/moet worden en wat niet. Dat geldt voor tal van punten zoals van uitvoeringskosten tot risicodekkingen (zoals bij overlijden en arbeidsongeschiktheid) en van overgangsregelingen tot compensatieregelingen. Het type uitvoerder kan daarbij ook relevant zijn (pensioenfonds of verzekeraar). De afgrenzing van pensioen dat nog onder de oude regels valt en pensioen dat onder de nieuwe regels valt is een ander belangrijk punt van aandacht. 

Het belang van het voldoen aan de (oude en nieuwe) fiscale regels kan nauwelijks overschat worden. De reden is eenvoudig: als u om wat voor reden dan ook maar 1 euro per jaar te veel of verkeerd pensioen opbouwt, vervalt de omkeerregel en wordt het hele pensioen belast (tegen progressieve tarieven oplopend tot 49,5% in 2022). Met daarbovenop nog eens boete van 20% revisierente.

Een ongeluk mag in een klein hoekje zitten, maar moet in dit geval dus zeker worden voorkomen. Ook al omdat het Pensioenakkoord in dit kader nog een aantal extra aandachtspunten bevat. Want niet alleen moet de nieuwe regeling aan de fiscale voorwaarden voldoen, ook eventuele (tijdelijke) overgangs- en compensatiemaatregelen moeten aan die voorwaarden voldoen. 

Uit ervaring blijkt dat vooral de bijzondere regelingen in een pensioenregeling foutgevoelig zijn. Niet zozeer omdat de wet- en regelgeving rond die regelingen ingewikkelder zou zijn, maar vooral omdat ze niet in het middelpunt van de belangstelling staan. Wat overigens begrijpelijk is: de aandacht gaat logischerwijs vooral uit naar de pensioenregelingen zelf, waar honderden miljoenen euro's (of veel meer) in omgaan.

Het pensioenakkoord bevat daarnaast ook fiscale maatregelen die raken aan het ouderenbeleid dat werkgevers kunnen invoeren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de drempelvrijstelling voor de regeling voor vervroegde uittreding (RVU) en het verruimen van de mogelijkheden tot verlofsparen.

Naast de aandachtspunten vanuit de Wet op de loonbelasting 1964 brengen het Pensioenakkoord en de Wet toekomsten pensioenen ook aandachtspunten met zich mee voor de btw. Hoewel de btw-vrijstelling onder het nieuwe pensioencontract wordt verruimd, is het voor pensioenfondsen en dienstverleners bijvoorbeeld de vraag welke dienstverlening precies in de vrijstelling kan delen en in welke mate. Voor wat betreft transitiekosten is het de moeite waard om te bekijken of het mogelijk is transitieprojecten btw-vriendelijk in te richten. Het is daarbij onder meer de vraag of deze zo zijn in te regelen dat de dienstverlening nu al (deels) onder de btw-vrijstelling kan worden gebracht.

Meer in het algemeen geldt, dat als fondsen (al dan niet als gevolg van wetswijzigingen) beleggingen moeten herstructureren dit fiscale verplichtingen/heffingen met zich mee kan brengen.

Bij de uitvoering van de afspraken in het Pensioenakkoord zult u geen enkele fiscale steek willen laten vallen. KPMG Meijburg & Co helpt u daar graag bij. Wij begrijpen dat deze transitie een unieke operatie is, waarbij unieke vraagstukken de kop op zullen steken, bijvoorbeeld rond het fiscale overgangsrecht dat in het Pensioenakkoord is opgenomen. Wij begrijpen ook dat die vraagstukken altijd in samenhang met elkaar bekeken moeten worden. Als het gaat om onze scherpe blik op de fiscale details beperken wij ons nooit tot alleen dat ene domein. De omkeerregel mag bijvoorbeeld vooral betrekking hebben op de loonbelasting, dat zal ons niet beletten ook te kijken naar de relaties met andere heffingen zoals bijvoorbeeld de omzetbelasting.

Ondersteund door een uitgebreid netwerk van specialisten staan wij u terzijde. Wij kunnen bijvoorbeeld de voorgenomen regeling fiscaal toetsen zodat de regeling fiscaal blijft voldoen. En waar nodig begeleiden wij u in het verkrijgen van goedkeuringen van de fiscale autoriteiten. Bent u benieuwd naar onze aanpak? Wij nodigen u van harte uit voor een kennismaking.