close
Share with your friends

Eindejaarsverrichtingen: afschrijvingen - boekhoudkundige en fiscale aandachtspunten

Eindejaarsverrichtingen

magnifying glass on documents

Bij de vaste activa worden vermogensbestanddelen opgenomen die bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt. Met uitzondering van de terreinen, hebben de meeste vaste activa een beperkte economische levensduur. De daling van het bedrijfseconomisch nut voor de onderneming wordt stelselmatig in kosten genomen door recurrente afschrijvingen.

In tegenstelling tot bepaalde sectorale boekhoudwetgevingen – bijvoorbeeld voor ziekenhuizen – zijn er voor ondernemingen in de boekhoudwetgeving geen afschrijvingspercentages vastgelegd evenmin afschrijvingsmethoden. 

Waarderingsregels

Onmiddellijk na de oprichting van een onderneming zal het bevoegd bestuursorgaan de waarderingsregels vastleggen. Even ter herinnering, de waarderingsregels zijn terug te vinden in

  • het verslagenboek van het bestuursorgaan,
  • het inventarisboek,
  • de toelichting van de jaarrekening.

 

De boekhoudwet definieert ‘afschrijvingen’ als de bedragen die ten laste van de resultatenrekening worden geboekt, met betrekking tot de rubrieken oprichtingskosten en tot materiële en immateriële activa met een beperkte gebruiksduur, teneinde het bedrag van deze oprichtingskosten en van de (eventueel geherwaardeerde) aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur. De fiscale wetgeving legt een bijkomende voorwaarde op; afschrijvingen worden in principe fiscaal enkel aanvaard als deze noodzakelijk zijn en samengaan met een werkelijke waardevermindering tijdens het belastbaar tijdperk.

Op dit regime van bedrijfseconomisch verantwoorde afschrijvingen wordt echter een uitzondering voorzien. Voor de immateriële en materiële vaste activa mag in bepaalde gevallen een versneld afschrijvingsplan toegepast worden.

De afschrijvingen moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw en specifiek zijn voor de actiefbestanddelen waarop ze betrekking hebben. Voor actiefbestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken mogen echter globale afschrijvingen geboekt worden. De afschrijvingen moeten ten slotte stelselmatig gevormd worden en mogen niet afhangen van het resultaat van het boekjaar.

Het bestuursorgaan zal volgende gegevens moeten vastleggen:

  • De af te schrijven waarde
  • De geschatte economische nuttigheids- of gebruiksduur
  • De afschrijvingsmethode (lineair, degressief, progressief of prorata naargelang het verbruik van prestaties, …)

Recurrente versus aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen

De recurrente afschrijvingen vinden plaats volgens een door het bestuursorgaan vastgesteld plan. Als echter zou blijken dat het toegepaste afschrijvingsplan, wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden, een te snelle afschrijving tot gevolg heeft gehad, mogen de recurrente afschrijvingen worden teruggenomen. Deze terugneming dient in resultaat genomen te worden via de niet-recurrente (uitzonderlijke) opbrengsten. De latere afschrijvingen ten belope van deze terugname zullen fiscaal niet aanvaard worden[1]. De terugname van afschrijvingen kan dus een fiscaal gevolg hebben. Het is belangrijk dat u zich daarvan bewust bent op het moment van terugname. Als op afsluitdatum blijkt dat de boekwaarde van het vast actief hoger is dan de gebruikswaarde voor de onderneming, dan moeten aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen geboekt worden.

Ingeval discontinuïteit van de onderneming, of voor de buiten gebruik gestelde of niet meer duurzaam tot de activiteit van de vennootschap bijdragende materiële vaste activa, wordt in voorkomend geval tot een uitzonderlijke afschrijving overgegaan om rekening te houden met de waarschijnlijke realisatiewaarde ervan.

De aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen die niet langer verantwoord blijken, moeten worden teruggenomen en dit voor een bedrag dat gelijk is aan de voorheen geboekte aanvullende afschrijvingen. Ook de latere afschrijvingen hierop zullen, net zoals deze op teruggenomen recurrente afschrijvingen, fiscaal niet aanvaard worden.[2]

Aanvullende of uitzonderlijk afschrijvingen, evenals hun eventuele terugnemingen, worden boekhoudkundig verwerkt via de niet-recurrente kosten of opbrengsten.

Af te schrijven waarde en afschrijvingsperiode

De af te schrijven waarde is gelijk aan de – eventueel geherwaardeerde – aanschaffingswaarde, desgevallend onder aftrek van een restwaarde.

Afschrijvingen verdelen de aanschaffingswaarde van het vast actief over de waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, of de economische levensduur van het actief. Deze levensduur moet worden geschat rekening houdend met technische en economische slijtage.

Deze economische levensduur kan worden uitgedrukt in tijdseenheden (aantal jaren), kwantitatief meetbare verbruikseenheden of een combinatie van beide. De fiscale wet bevat in essentie geen minimumperiode voor afschrijvingen, de belastingplichtige kan de economische levensduur van het actief zelf bepalen. De fiscus geeft enkel de gebruikelijke afschrijvingsperiodes mee. Zo zou men installaties, machines en uitrustig kunnen afschrijven over 10 jaar en rollend materieel over 5 jaar. Die periodes kunnen natuurlijk variëren afhankelijk van de bedrijfseconomische situatie.

Afschrijvingsmethoden

De boekhoudwet bevat geen eigenlijke bepalingen met betrekking tot het ritme van de jaarlijkse afschrijvingen. Het afschrijvingsregime mag lineair zijn, degressief, progressief of gebonden aan objectieve criteria zoals de gebruiksintensiteit van het goed of het volume van de productie. Al deze methoden zijn boekhoudkundig aanvaardbaar voor zover ze overeenstemmen met de spreiding van de aanschaffingswaarde over de vermoedelijke economische levensduur van het vast actief.

Fiscaal zullen er voor activa die verkregen of tot stand gebracht zijn vanaf 1 januari 2020 een aantal wijzigingen zijn met betrekking tot de afschrijvingsmethoden. In eerste instantie kan men, onder bepaalde voorwaarden, boekhoudkundig nog steeds kiezen voor de methode van degressief afschrijven maar zal deze afschrijvingsmethode fiscaal niet langer aanvaard worden. Belangrijk hierbij is dat dit alleen van toepassing is voor de vennootschapsbelasting, in de personenbelasting blijft degressief afschrijven fiscaal nog altijd aanvaard. In tweede instantie zullen kleine vennootschappen hun activa in het jaar van aanschaffing ook pro rata moeten afschrijven. Het is dus voor kleine vennootschappen niet langer mogelijk een volledige jaarlijkse afschrijving te boeken wanneer het actief doorheen het boekjaar aangeschaft of tot stand gebracht is.

Specifieke regels

Voor oprichtingskosten worden passende afschrijvingen geboekt, per jaarlijkse tranches van ten minste 20% van de werkelijk uitgegeven bedragen. De afschrijving van de kosten bij uitgifte van leningen mag daarentegen gespreid worden over de looptijd van de leningen.

Kosten van ontwikkeling en goodwill worden – indien hun gebruiksduur niet met zekerheid kan worden geraamd – afgeschreven over een periode van 10 jaar. De periode waarop de goodwill wordt afgeschreven, wordt verantwoord in de toelichting. Afschrijvingen op goodwill worden niet teruggenomen. De maximumtermijn van 10 jaar is van toepassing in het boekhoudrecht, voor fiscale doeleinden moet men goodwill afschrijven over een minimumtermijn van 5 jaar.[3]

Met inachtneming van de definitie van de afschrijvingen heeft de onderneming de keuze om ofwel het reeds op rekening ‘27 vaste activa in aanbouw en vooruitbetalingen’ geboekte, gefactureerde gedeelte van de werken af te schrijven, ofwel om het gebouw pas na voltooiing van de werken in zijn geheel af te schrijven volgens een gekozen afschrijvingsmethode.

Indien materiële vaste activa met beperkte levensduur geherwaardeerd worden, moet de geherwaardeerde waarde van het vast actief afgeschreven worden over de vermoedelijke restlevensduur. Afschrijvingen op herwaarderingsmeerwaarden worden fiscaal niet aanvaard. De fiscus wil daardoor vermijden dat men eenzelfde actief meerdere keren afschrijft.

Wanneer de toepassing van een plan voor versnelde afschrijving met zich mee zou brengen dat aanzienlijk vlugger wordt afgeschreven dan economisch verantwoord, moet er in de toelichting melding gemaakt worden van het verschil tussen het gecumuleerd bedrag van de geboekte afschrijvingen en dat van de economisch verantwoorde afschrijvingen. Ook moet de invloed worden aangegeven van de tijdens het boekjaar of tijdens vorige boekjaren geboekte versnelde afschrijvingen op het bedrag van de afschrijvingen in de resultatenrekening van het boekjaar, in vergelijking met de economisch verantwoorde afschrijvingen.

Auteur: Patrick Valckx, Partner KPMG Accountants en Ilke Vandenbroeck, Director Corporate Tax

  1. Com.IB nr 61/99.
  2. Com.IB nr 61/220.
  3. Art. 63 WIB 92.

Neem contact met ons op