close
Share with your friends
Interest

Intresten lening voor kapitaalvermindering: aftrekbaar?

Intresten lening voor kapitaalvermindering aftrekbaar?

Het Hof van Cassatie heeft (in haar arrest van 19 maart 2020) opnieuw uitspraak gedaan over de al dan niet aftrekbaarheid van interestlasten die voortvloeien uit externe financiering, aangegaan om kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen door te voeren. Het arrest brengt nieuwe inzichten, maar het welles-nietes-spelletje tussen de belastingplichtige en administratie blijft onverminderd voortduren. Eén gegeven blijkt alvast overduidelijk uit het arrest: een belangrijke rol is weggelegd voor het aangeleverde bewijs. 

Achtergrond

Vele ondernemingen zijn op papier in staat om kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen te realiseren. Echter betekent dit niets steeds dat de nodige liquide middelen ook effectief beschikbaar zijn. Deze middelen zitten vaak vast in beleggingen of activa, waardoor deze niet zomaar kunnen worden gebruikt om de aandeelhouders uit te betalen. Daardoor overwegen vele vennootschappen om hiervoor extern te lenen.

De vraag rijst dan of de interestkosten die gepaard gaan met deze externe financiering beschouwd kunnen worden als aftrekbare beroepskosten. Er is immers geen wettelijke bepaling die voorziet in de principiële aanvaarding zonder meer van de aftrek van de interestlasten van leningen aangegaan om kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen door te voeren.

Het zwaartepunt van deze vraag ligt bij art. 49 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (hierna ‘WIB’). Artikel 49 WIB omvat drie voorwaarden: de annualiteitsvoorwaarde, de realiteitsvoorwaarde en de finaliteitsvoorwaarde. De finaliteitsvoorwaarde houdt in dat uitgaven fiscaal slechts aftrekbaar zijn wanneer ze zijn gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De belastingadministratie is van mening dat niet wordt voldaan aan die voorwaarde indien de uitgaven worden aangegaan om een kapitaalvermindering of dividenduitkering door te voeren. Hierdoor neemt ze al geruime tijd de drastische stelling in dat de interestlasten die voortkomen uit dergelijke externe financieringen met het oog op kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen, niet kwalificeren als een aftrekbare beroepskost.

Waar het voor de fiscus een alles-of-niets verhaal blijkt te zijn, gaf het Hof Van Beroep te Antwerpen (in haar arrest van 8 mei 2018) aan dat het niet zwart-wit is. Zij was van oordeel dat interesten, ingevolge van een lening ter financiering van een kapitaalvermindering/dividenduitkering wel als beroepskosten kunnen worden beschouwd mits voldoende bewijs door de belastingplichtige wordt aangevoerd omtrent de motivering van deze financieringen. Volgens het hof moest de vennootschap haar 'werkelijke intentie' voor het aangaan van de lening kunnen aantonen. Dat had de vennootschap naar de mening van het hof niet voldoende gedaan.  

Op het belang en de overtuigingskracht van het aangeleverde bewijs, gaat het Hof van Cassatie met dit arrest verder in. Het arrest genoot dan ook grote belastingstelling in de fiscale wereld aangezien de praktijk gehoopt had dat bij dezen de fiscale knoop eindelijk zou worden doorgehakt. Het arrest loste echter slechts deels haar verwachtingen in waardoor de praktijk nog steeds met veel vragen achterblijft.

Wat moet men bewijzen?

De belastingplichtige moet bewijzen dat de betwiste rentelasten zijn gemaakt om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden. Een vennootschap die een lening aangaat voor de financiering van de betalingen die voortvloeien uit een beslissing tot kapitaalvermindering of dividenduitkering, kan de aan die lening verbonden interestlasten als beroepskost aftrekken met toepassing van artikel 49 WIB92 indien zij aantoont dat de interestlasten, en dus niet de kapitaalvermindering of dividenduitkering zelf, voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van art. 49 WIB92.

Dit stelt de fiscale administratie in een zeer comfortabele uitgangspositie. Verder bevestigde het Hof van Cassatie dat het louter aanhalen dat de onderneming te weinig liquide middelen bezit om de dividenduitkering / kapitaalvermindering door te voeren, niet volstaat.

Maar hoe kan men dan wel voldoende aantonen dat deze door de fiscus gewantrouwde financieringsoperatie werd doorgevoerd om inkomsten te verkrijgen of te behouden? Op die vraag is tot op heden nog geen expliciet antwoord gekomen. Uit het arrest lijkt af te leiden dat de vennootschap zal moeten kunnen aantonen dat zij zonder deze externe financiering (deels) haar activa die gebruikt worden voor de winst-generende activiteiten, zou hebben moeten realiseren om het gebrek aan liquide middelen op te lossen.

Hoe kan men dit bewijs leveren?

Het aanleveren van de jaarrekening zelf of een verwijzing naar de jaarrekening, die zelfs aan de aangifte dient te worden toegevoegd, zal onvoldoende zijn. Hierover werd immers door het Hof gesteld dat er “geen stukken [werden geleverd] waaruit blijkt dat de lening werkelijk werd aangegaan met het oog op het verkrijgen of het behoud van haar actiefbestanddelen en dat dienvolgens de intrestlasten werden gedaan of gedragen met het oog op het verkrijgen of het behoud van belastbare inkomsten uit deze activa”.

Aangezien een verwijzing naar de balans in de jaarrekening niet volstaat, zal men dus best een dossier opstellen waarin de economische en financiële redenen voor het financieringsbesluit zelf voldoende wordt uitgewerkt.

Men zal dus voorafgaand aan de verrichting voldoende uitgebreide documenten moeten opstellen waarin opgenomen wordt welke overwegingen geleid hebben tot het aangaan van de externe financiering. Hieruit moet duidelijk blijken dat de lening werd aangegaan om te vermijden dat winstgevende activa moeten worden gerealiseerd voor het bekomen van het beoogde doel (zijnde de voltooiing van de dividenduitkering of kapitaalvermindering). Daarenboven dient bijzondere aandacht te worden besteed aan (het gebrek aan) vlottende activa, die zoals het woord het zegt “vlotter” te realiseren zijn. Indien deze nog aanwezig zouden zijn en mogelijks gerealiseerd kunnen worden, moet men beargumenteren waarom men de externe financiering verkiest boven de realisatie van deze activa.

Aangezien het arrest geen absolute uitsluiting geeft, blijft er onzekerheid bestaan over de aanvaarding van dergelijk dossier. De aftrekbaarheid van intrestlasten verbonden aan externe financieringen aangegaan voor de uitvoering van kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen, zal blijven afhangen van de feitelijke beoordeling van het dossier en de aanwezige onderbouwing en documentatie zal hiervoor steeds doorslaggevend zijn. Een goede voorbereiding van elk dossier voorafgaandelijk aan het aangaan van de financiering is dan ook belangrijk.

Conclusie

U bent gewaarschuwd: geld lenen kost ook geld. En mogelijks des te meer bij de externe financiering ter uitvoering van en kapitaalvermindering of dividenduitkering.

De fiscus kijkt immers toe hoe u de aftrekbaarheid van uw interestkosten probeert te bewijzen.

Hoewel het opstellen van een dossier voorafgaand aan uw financieringsbeslissing een oplossing kan bieden, doch biedt dit nog geen zekerheid. Indien uw vennootschap dan ook een financiering overweegt ter uitvoering van en kapitaalvermindering of dividenduitkering lijkt het ons zeker aangewezen vooraf uw fiscale adviseur te raadplegen, zodat mee bekeken kan worden welke documentatie in uw specifieke situatie wenselijk is om discussies zoveel als mogelijk te vermijden.

Uiteraard kan u ons steeds contacteren bij vragen en/of concrete plannen.

Neem contact met ons op