close
Share with your friends

Het Grondwettelijk Hof verbiedt onbelast bijverdienen

Het Grondwettelijk Hof verbiedt onbelast bijverdienen

euro coins

In haar arrest van 23 april 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de regeling voor het onbelast bijverdienen vernietigd. Onbelast bijverdienen blijft voorlopig wel nog mogelijk tot 31 december 2020.

De regeling rond onbelast bijverdienen laat (bepaalde) werknemers, zelfstandigen of gepensioneerden toe om een beperkt bedrag (6.340 euro per jaar in 2020) bij te verdienen zonder daarop belastingen of sociale bijdragen te betalen. Het kan zowel gaan om diensten die verleend worden in het kader van verenigingswerk, occasionele diensten tussen burgers, als, tot slot, diensten verleend via elektronische platforms binnen de zogenaamde deeleconomie. Daarenboven zijn dergelijke activiteiten uitgesloten van diverse sociaalrechtelijke wetten, zoals de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 en de Arbeidswet van 16 maart 1971.

Sedert het arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 april 2020 staat onbelast bijverdienen echter op de helling voor de drie bovengenoemde soorten activiteiten. Het Hof vernietigde immers de wet die onbelast bijverdienen toelaat.

  • Wat de verenigingswerkers betreft, was het Hof van oordeel dat er geen verantwoording bestond om nagenoeg de volledige arbeidswetgeving buiten toepassing te laten. Die verantwoording bestond vooreerst noch in de beoogde rechtszekerheid voor bijverdiensten in de vrije tijd, noch in het mogelijke misbruik van het vrijwilligersstatuut voor prestaties die in werkelijkheid professioneel van aard zijn. Bovendien vond het Hof ook dat de gevolgen van de invoering van het bijzondere statuut niet in redelijke verhouding staan tot de beoogde administratieve vereenvoudiging voor organisaties die een maatschappelijke meerwaarde te bieden hebben. Ook de vermoede wens van verenigingswerkers om activiteiten te verrichten in het maatschappelijk belang en het gegeven dat dus niet zozeer de vergoeding een rol zou spelen, overtuigden het Hof tot slot niet. Geen van deze elementen kon het bijzondere statuut verantwoorden.
  • Specifiek ten aanzien van verenigingswerk en occasionele dienstverleners hekelde het Hof ook de verschillende sociale zekerheidsrechtelijke en fiscaalrechtelijke behandeling van de vergoeding voor dezelfde activiteiten tussen werknemers of zelfstandigen enerzijds en verenigingswerkers of occasionele dienstverleners anderzijds. Dit verschil wordt niet verantwoord door de veronderstelling dat die vergoeding maar bijkomstig zou zijn en evenmin door het gegeven dat het zwartwerk zou ontraden of dat het slechts zou gaan om een beperkt aantal activiteiten met een bijzondere meerwaarde, zo stelt het Hof. Dit is zeker het geval nu het kan gaan om identieke prestaties als degene die werknemers of zelfstandigen uitoefenen en de voordelen gelinkt aan onbelast bijverdienen net een incentive kunnen zijn voor het oprichten van nieuwe functies of doorvoeren van verschuivingen.
  • Het Hof besluit dat er, in dezelfde lijn als bij de hierboven opgesomde argumenten, geen verantwoording is voor het verschil behandeling tussen activiteiten uitgevoerd door werknemers of zelfstandigen enerzijds en dienstverleners via een erkend elektronisch platform anderzijds. Ook binnen deze derde pijler kan het Hof zich dus niet vinden in de niet-toepassing van een groot deel van de sociale wetgeving, evenmin als van de sociale zekerheidsrechtelijke en fiscale verplichtingen.

 

De bestaande regeling blijft nog gehandhaafd voor activiteiten tot en met 31 december 2020. Het valt af te wachten hoe de wetgever zal reageren op deze beslissing en of er een reparatiewet komt die, rekening houdende met het voornoemde arrest, onbelast bijverdienen na die datum alsnog op de één of andere manier mogelijk maakt.

Neem contact met ons op