close
Share with your friends
Lady justice

Grondwettelijk Hof vernietigt effectentaks

Grondwettelijk Hof vernietigt effectentaks

Met een nieuwe mislukte poging tot het belasten van de grote(re) vermogens, wordt een nieuw dieptepunt bereikt in de zoektocht naar een rechtvaardigere Belgische fiscaliteit. Op 17 oktober 2019 heeft het Belgisch Grondwettelijk Hof (hierna: het Hof) de fel omstreden effectentaks immers vernietigd. Wat betekent dit in voor u en wat bent u nog verschuldigd? Enkele praktische beschouwingen die u in acht moet nemen.

Wat voorafging aan het oordeel: de historiek

Sinds 10 maart 2018 wordt in België een jaarlijkse taks geheven van 0,15% op effectenrekeningen met een gemiddelde waarde van minstens € 500.000 die worden aangehouden door natuurlijke personen (ongeacht of die persoon volle eigenaar, blooteigenaar of vruchtgebruiker is). Deze zogenaamde taks op de effectenrekeningen (hierna: “effectentaks”) werd ingevoerd met het oog op een rechtvaardigere fiscaliteit door de grote(re) vermogens meer te laten bijdragen aan het staatsbudget.

Deze maatregel genoot van bij het begin ruime belastingstelling en deed het nodige stof opwaaien. Het hobbelig politiek en juridisch parcours bij de totstandkoming van deze taks voorspeldde niet veel goeds en reflecteerde zich dan ook, kort na de inwerkingtreding, tot een reeks verzoeken tot vernietiging bij het Hof. De kernvraag: leidt deze taks - door de manier waarop ze op bepaalde punten toegepast wordt - tot een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling tussen natuurlijke personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden?

We verwijzen naar eerdere nieuwsbrieven voor meer achtergrond (editie april en november 2018).

Het oordeel: de drie kerngedachten van het Hof

Het Hof komt op basis van drie middelen tot de conclusie dat de effectentaks ongrondwettelijk is.

Ten eerste bepaalt de wet (met een limitatieve lijst) dat welbepaalde effecten, als ze op een effectenrekening staan, een belastbaar financieel instrument zijn. Dus enkel die effecten moeten worden meegeteld voor de beoordeling van de EUR 500.000 drempel en berekening van de belastbare basis. Het gaat bijvoorbeeld over aandelen en obligaties.

Maar de wetgever bleek zeer selectief bij het definiëren van de ‘belastbare financiële instrumenten’. Zo blijven een aantal financiële instrumenten buiten schot, ondanks dat deze op een effectenrekening gehouden kunnen worden en duidelijk een ‘vermogensverrijkend karakter’ en een ‘zelfstandige en substantiële vermogenswaarde’ hebben (zoals de instrumenten die wel belastbaar zijn). Hierbij denken we onder meer aan aandelen op naam die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven en vastgoedcertificaten, maar ook derivaten zoals opties, futures en swaps.

Volgens het Hof heeft de wetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid om de belastbare grondslag vast te stellen. Maar het Hof stelt vast dat de wet op de effectentaks een verschil in behandeling creëert naar gelang de aard van de financiële instrumenten die op een effectenrekening staan. Ook al zou dat onderscheid berusten op een objectief criterium, dan nog is het verschil in behandeling kennelijk onredelijk, rekening houdend met het doel van de heffing.

Ten tweede is de effectentaks niet van toepassing op aandelen op naam - zelfs al zijn ze beursgenoteerd - als die niet op een effectenrekening staan (wat in de praktijk vaak het geval is).

Het niet opnemen van deze aandelen in de grondslag leidt volgens het Hof tot een onredelijk verschil in behandeling, omdat een onderscheid wordt gemaakt louter naargelang de wijze waarop aandelen worden aangehouden.

Gezien het doel van de wetgever om de grotere vermogens meer te doen bijdragen, zouden aandelen op naam - die evengoed een vermogensbarometer zijn - redelijkerwijs belastbaar zijn en deel moeten uitmaken van de grondslag. Maar omdat dit niet het geval is, wordt een verschil in behandeling gecreëerd louter naargelang de wijze waarop aandelen aangehouden worden. Het Hof sluit zich daarmee aan bij eerdere kritiek van de Raad van State en besluit dat er voor dergelijke onderscheiden behandeling geen redelijke verantwoording is in het licht van het doel van de taks.

Ten derde zet het Hof vraagtekens bij de vereenvoudigde praktische (pragmatische) regel van “proportionaliteit”. Als een effectenrekening door meerdere (co)titularissen wordt aangehouden, wordt vermoed dat iedere co-titularis een even groot deel van de effectenrekening bezit.

Maar dergelijke proportionaliteit stemt vaak niet overeen met de werkelijkheid. Een natuurlijke persoon die een betreffende effectenrekening aanhoudt, heeft evenwel de keuze om belast te worden op zijn werkelijk of proportioneel aandeel. Daardoor ontstaan een opportuniteit tot fiscale optimalisatie, die er niet is als de effectenrekening niet in onverdeeldheid wordt aangehouden. Een natuurlijke persoon zou bijvoorbeeld doelbewust een minderjarig kind (voor een klein deel) co-titularis kunnen maken om onder de drempel van € 500 000 te blijven op basis van dit vermoeden, zelfs als die in realiteit meer dan € 500.000 bezit. Wie zijn rekening niet in onverdeeldheid bezit, zal daarentegen wel aan de taks onderworpen worden als de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten minstens € 500 000 bedraagt.

Geheel in lijn met de twee voorgaande argumenten, besluit het Hof dat dit verschil in behandeling onredelijk is.

Wat betekent dit concreet?

Het Hof vernietigt de taks en kan dus niet meer geheven worden.

Maar met het oog op budgettaire en administratieve gevolgen van een retroactieve uitwerking, worden de gevolgen van de vernietigde bepalingen gehandhaafd voor de taks die verschuldigd is voor de referentieperiodes (d.w.z. belastbare tijdperken) die eindigen vóór of op 30 september 2019.

Dit betekent concreet dat de taks die in het verleden reeds betaald werd in principe niet kan worden teruggevorderd en voor de pas afgesloten referentieperiode – afgesloten op 30 september 2019 – nog moet worden aangegeven en betaald. Het gaat met andere woorden over een vernietiging zonder terugwerkende kracht (enkel effect voor de toekomst).

Is verweer mogelijk?

De vraag is of de belastingplichtige zich zomaar moet neerleggen bij de niet-retroactiviteit. Een verdediging is niet voor de hand liggend, maar lijkt evenmin onmogelijk.

Ten eerste rijst de vraag of een belastingplichtige effectief nog verplicht kan worden om een ongrondwettelijke belasting (voor de referentieperiode 1 oktober 2018 tot 30 september 2019) aan te geven en te betalen als de wettelijke termijn daarvoor nog niet verstreken is. Meer bepaald: in principe werd de taks reeds aangegeven en betaald voor de eerste referentieperiode (belastbaar tijdperk) 10 maart 2018 - 30 september 2018. Maar voor de referentieperiode tussen 1 oktober 2018 en 30 september 2019 – d.w.z. het belastbaar tijdperk dat nog maar pas geëindigd is – moet de aangifte en betaling nog gebeuren (eind 2019, hetzij medio 2020, afhankelijk van de situatie). Veiligheidshalve, gezien de onduidelijkheid en de sancties (administratieve boete en 7% nalatigheidsinterest) die de fiscus bij niet- of laattijdige aangifte vermoedelijk zal opleggen, is het aangeraden om de taks toch aan te geven en te betalen om ze daarna eventueel terug te vorderen.

Ten tweede rijst de vraag of een belastingplichtige toch nog andere juridische gronden zou kunnen inroepen, om de taks die reeds werd betaald en/of nog betaald zal worden, terug te vorderen. Zo heeft het Hof enkel het Belgisch gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel getoetst. Maar waarom zou een belastingplichtige – bij een rechtbank van eerste aanleg – zich bijvoorbeeld niet beroepen op een schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vervat in het Europees recht? In zo’n geval zou het Belgisch Grondwettelijk Hof de gevolgen niet kunnen beperken voor het verleden. Dat zou in voorliggend geval enkel kunnen door het Europees Hof van Justitie, die dat echter zelden doet.

Daarenboven kan een belastingplichtige de Belgische Staat mogelijk burgerrechtelijk aansprakelijk stellen voor de geleden schade ingevolge van een fout (van de wetgever). Zo heeft de wetgever ondanks ernstige bedenkingen van de Raad van State, bijvoorbeeld inzake de uitsluiting van aandelen op naam, in volle bewustzijn de taks toch zodanig ingevoerd dat de kans reëel was dat de taks ongrondwettelijk is. Ook voor het uitsluiten van bepaalde financiële instrumenten, heeft de wetgever niet de moeite genomen om een verantwoording te geven. De schade die door dergelijke onzorgvuldigheid berokkend werd, dient normaliter ook vergoed te worden, bijvoorbeeld door een terugbetaling van de betaalde belasting. Op basis van recente rechtspraak, lijkt de kans echter klein dat een belastingplichtige op die manier de belasting zal kunnen recupereren, maar is toch het proberen waard (onder het motto “niet geschoten is altijd mis”).

Met andere woorden, in de praktijk zou een belastingplichtige voor de taks die al is betaald en/of nog betaald wordt, een (administratief) teruggaafverzoek kunnen indienen. De fiscus zal dat teruggaafverzoek hoogstwaarschijnlijk afwijzen, steunend op het arrest van het Grondwettelijk Hof en de handhaving van de gevolgen van de vernietigde maatregel. Maar de belastingplichtige kan dan nog steeds naar de rechter stappen (rechtbank van eerste aanleg). Daarbij is het wel belangrijk dat de belastingplichtige de wettelijke termijnen daarvoor respecteert en dus tijdig actie onderneemt.

Conclusie

Het mogen duidelijk zijn dat door onzorgvuldig opgestelde wetgeving en het naast zich neerleggen van verscheidene commentaren van de Raad van State, de wetgever zelf de teloorgang van de effectentaks heeft ingeleid. Ironisch genoeg heeft de zoektocht naar rechtvaardigheid dus geleid tot een niet-gerechtvaardigde wetgeving. Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Aarzel niet ons te contacteren als u hierbij verdere vragen heeft. 

Neem contact met ons op

Gerelateerde content