De ‘Digital Service Tax’ | KPMG België
close
Share with your friends
De ‘Digital Service Tax’ – quo vadis?

De ‘Digital Service Tax’

De ‘Digital Service Tax’

Een politiek akkoord met betrekking tot de invoering van een Digital Service Tax lijkt in 2018 niet meer haalbaar, aangezien er nog steeds geen consensus is gevonden binnen de EU over deze nieuwe belasting op digitale dienstverlening. Het is cruciaal dat er in de loop van de volgende maanden wel vorderingen worden gemaakt op Europees vlak. Zo niet zullen verschillende lidstaten eigen wetgeving uitwerken op dit vlak, wat desastreus zou zijn voor de Europese digitale eenheidsmarkt.

Op 21 maart van dit jaar publiceerde de Europese Commissie verschillende voorstellen voor een eerlijk en doeltreffend belastingsysteem in een Europese digitale eenheidsmarkt. Deze voorstellen beogen onder meer de invoering van een ‘Digital Service Tax’ (DST) en het concept van een ‘digitale vaste inrichting’. Hiervoor verwijzen we naar ons eerdere artikel.

De DST, als overgangsmaatregel in afwachting van zo’n digitale vaste inrichting, is de laatste maanden het onderwerp geweest van uitgebreide discussies op politiek en diplomatiek vlak. Er werd gehoopt op een consensus binnen de EU tegen het eind van dit jaar, wanneer het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad verloopt. Oostenrijk was immers een voorstander van de DST en gaf hieraan voorrang in haar politieke agenda. Vanaf 1 januari zal Roemenië het voorzitterschap overnemen en is het dus afwachten of Roemenië aan de DST dezelfde prioriteit geeft.

Hoe ziet het voorstel tot DST er nu uit?

Op basis van het laatste gepubliceerde voorstel van Raad, kan de DST als volgt worden samengevat:

  • De belasting zou van toepassing zijn op vennootschappen die jaarlijks een totaal bedrag aan wereldwijde inkomsten hebben die hoger is dan 750 miljoen euro en waarvan het totale bedrag aan jaarlijkse inkomsten verworven uit digitale diensten binnen de Europese unie hoger is dan 50 miljoen euro.
  • Het tarief bedraagt 3%.
  • De belasting zou verschuldigd zijn op de omzet van de volgende digitale diensten: het plaatsen van gerichte advertenties op een digitaal platform, het uitbaten van een digitaal platform en de verkoop van gebruikersdata.
  • Gereglementeerde financiële diensten door gereglementeerde financiële entiteiten, alsook de verkoop van data door gereglementeerde financiële entiteiten worden uitgesloten van de belasting.
  • De toevoeging van een uitdovingsclausule en een evaluatieclausule, waardoor de DST zal uitdoven bij het tot stand komen van een (globaal) akkoord op OESO-niveau.

 

In de laatste versie van dit voorstel zou de DST van toepassing zijn vanaf 1 januari 2022. Over dit voorstel werd evenwel geen consensus bereikt binnen de Raad van de Europese Unie. Ondanks het aandringen van Frankrijk, hield Duitsland het been stijf. Berlijn streeft in de eerste plaats naar een globaal akkoord via de OESO en wil alleen de EU-piste verder bewandelen wanneer zo’n akkoord binnen de OESO onmogelijk is. Ondertussen is het uitkijken naar het interim rapport van de OESO dat in januari 2019 wordt verwacht. De doelstelling van de OESO is zeer uitdagend, namelijk een globale consensus inzake de belastingheffing van de digitale economie tegen einde 2020.

DST-light?

Op de laatste ECOFIN-vergadering – de Raad van ministers van Financiën - van 4 december, heeft Duitsland haar positie enigszins aangepast en stelde – samen met Frankrijk - een aangepaste DST voor die van toepassing zou zijn vanaf 1 januari 2021. Beide landen kwamen overeen om het toepassingsgebied van de DST in een eerste fase te beperken tot inkomsten verworven uit gerichte advertenties op digitale platformen, en in een latere fase het plan uit te breiden, in lijn met de OESO-ontwikkelingen. Lidstaten met een grote digitale economie, zoals Estland, Denemarken, Zweden en Ierland, hadden echter fundamentele bezwaren tegen deze “DST-light”, waardoor er geen unaniem akkoord werd bereikt over de invoering van een DST.

De deadline van 31 december is ondertussen niet meer haalbaar. De verwachting is nu dat de werkgroepen binnen de Raad van Europese Unie een formele tekst zullen opstellen, in lijn met een Frans-Duits initiatief, tegen maart 2019, waardoor de “DST-light” vanaf 1 januari 2021 in werking kan treden. De volgende maanden zal er dus waarschijnlijk onder de waterlijn naar een consensus gezocht moeten worden, aangezien de meerderheid van de lidstaten, waaronder ons land, het plan wel steunen.

Nationale initiatieven: een risico voor de digitale eenheidsmarkt

Naast het nieuwe Frans-Duitse (nog uit te werken) voorstel, wordt door de diverse lidstaten ook gekeken naar nationale initiatieven. Spanje en het Verenigd Koninkrijk – dat in maart 2019 de Europese Unie verlaat - hadden al verklaard dat zij een eigen nationale belasting op digitale diensten zullen invoeren, bij gebrek aan consensus op Europees niveau. Recent heeft ook Frankrijk dit voornemen geuit.

Deze diverse nationale initiatieven zijn niet zonder enig risico. Het gebrek aan coördinatie en harmonisatie tussen de nationale belastingen, is schadelijk voor de Europese interne markt en kan aanleiding geven tot dubbele belasting. Een aanpak op EU-niveau of zelfs op globaal niveau via de OESO is daarom geen luxe, maar een noodzaak.

Neem contact met ons op

Gerelateerde content